Conclusie AG HvJEU: vragen over grensoverschrijdende auteursrechtinbreuk niet-ontvankelijk

14-06-2013 Print this page
B912364

Conclusie A-G Jääskinen in de zaak tussen Pinkney tegen KDG Mediatech: aanknopingscriterium in de zin van artikel 5(3) EEX-Verordening in geval van een grensoverschrijdende inbreuk op de vermogensrechten van een auteur als gevolg van de plaatsing op internet van content in gedematerialiseerde vorm of het op internet aanbieden van een materiële drager waarop deze content is gekopieerd.

De Franse Cour de cassation (cassatierechter) heeft het Hof twee prejudiciële vragen gesteld naar aanleiding van een door Pinckney, Frans onderdaan, die beweert onder andere de maker te zijn van muziekwerken, ingestelde aansprakelijkheidsvordering tegen de in Oostenrijk gevestigde KDG Mediatech AG wegens inbreuk op de voornoemde muziekwerken. De onderhavige zaak had het Hof de mogelijkheid kunnen bieden zich uit te spreken over de voorwaarden waaronder de rechterlijke instanties van een lidstaat ratione loci bevoegd zijn om op de grondslag van artikel 5(3) van EEX-verordening kennis te nemen van een geschil over een beweerde, via internet gepleegde inbreuk op de rechten van een auteur.

De verwijzende rechter vraagt zich namelijk af, welk aanknopingscriterium hij dient toe te passen in geval van een grensoverschrijdende inbreuk op de vermogensrechten van een auteur als gevolg van de plaatsing op internet van content in gedematerialiseerde vorm of het op internet aanbieden van een materiële drager waarop deze content is gekopieerd. De Cour de cassation motiveert zijn prejudiciële vragen met een verwijzing naar het verschil dat zou bestaan tussen het aan hem voorgelegde geschil en de situaties waarover het Hof zich diende te buigen in de zaken L’Oréal e.a., alsmede eDate Advertising en Martinez. Gelet op de weergave van de feiten door de verwijzende rechter en de mijns inziens absoluut vereiste kwalificatie van de rechtsgrondslag van Pinckneys aansprakelijkheidsvordering lijken mij de prejudiciële vragen evenwel niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding en moeten bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.

Prejudiciële vragen: „1) Moet artikel 5, punt 3, van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat in geval van een beweerde schending van de aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten door op internet geplaatste content,
– de persoon die zich gelaedeerd acht, bij de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan een op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest, een vordering kan instellen tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht, of
– moet deze content bovendien bestemd zijn of zijn geweest voor het op het grondgebied van die lidstaat gevestigde publiek, of moet er sprake zijn van een ander aanknopingspunt?

2) Moet de eerste vraag op dezelfde wijze worden beantwoord wanneer de beweerde schending van de aan het auteursrecht verbonden vermogensrechten niet voortvloeit uit het feit dat content in gedematerialiseerde vorm op internet werd geplaatst, maar, zoals in casu, uit het feit dat een materiële drager waarop deze content is gekopieerd, op internet wordt aangeboden?”

Gelet op het voorgaande geeft de A-G aldus het Hof in overweging om het verzoek van de Cour de cassation niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het geval dat het Hof het prejudiciële verzoek ontvankelijk mocht verklaren, geeft de A-G in overweging om de prejudiciële vragen van de Cour de cassation samen te beantwoorden als volgt:

Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat in geval van een geschil ter zake van een beweerde inbreuk op het uitsluitend distributierecht door de aanbieding op internet van materiële dragers met daarop auteursrechtelijk beschermde content, of een inbreuk op het uitsluitend recht van mededeling door de plaatsing op internet van content in gedematerialiseerde vorm, degene die meent te zijn benadeeld, ofwel bij de rechter van de plaats van vestiging van de personen die de compact discs (cd’s) op internet hebben aangeboden of de content op internet hebben geplaatst vergoeding van de volledige schade kan vorderen, ofwel bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waarop de betrokken site is gericht, vergoeding van de op dit grondgebied geleden schade.

Lees de conclusie hier.