De claimbrieven zijn weinig oorspronkelijk

Print pagina

B9 11743. Rechtbank Leeuwarden, 10 oktober 2012, LJN: BX9971, Lennoc Development B.V. tegen [A] en Probe-Asp B.V.

Auteursrecht. Gestelde auteursrechtinbreuk in geschil over concurrentie door ex-werknemer. Gedaagde heeft als werknemer van eisers meegewerkt aan software m.b.t. vertragingsclaims van vliegtuigpassagiers en begint enige tijd na het dienstverband zelf een soortgelijke onderneming.  Vraag in geschil is of de werkgever door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van eerder met werknemer overeengekomen geheimhoudingsbeding en non-concurrentiebeding, of er sprake is van onrechtmatige concurrentie en of gedaagden inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten van de oud-werkgever op software en claimbrieven (met bijlagen).

De rechtbank wijst de vorderingen af. Met betrekking tot de gestelde auteursrechtinbreuk oordeelt het hof dat  "op de claimbrieven van Lennoc geen auteursrecht rust, nu deze brieven weinig oorspronkelijk zijn. De brieven bevatten immers met name een weergave van de rechten en aanspraken die passagiers van een vertraagde vlucht op grond van de Verordening en de jurisprudentie hebben. Reeds daarom dienen de vorderingen van Lennoc te worden afgewezen, voor zover zij gegrond zijn op de door haar gestelde auteursrechtelijke inbreuk op haar claimbrieven." Een beroep op de geschriftenbescherming is onvoldoende onderbouwd, evenals als de gestelde inbreuk op een bijlage bij de claimbrief. Op de software van eiseres Lennoc rust wel auteursrecht, maar ook hier is de gestelde inbreuk niet aannemelijk gemaakt:

Claimbrieven: 4.17. De rechtbank is van oordeel dat op de claimbrieven van Lennoc geen auteursrecht rust, nu deze brieven weinig oorspronkelijk zijn. De brieven bevatten immers met name een weergave van de rechten en aanspraken die passagiers van een vertraagde vlucht op grond van de Verordening en de jurisprudentie hebben. Reeds daarom dienen de vorderingen van Lennoc te worden afgewezen, voor zover zij gegrond zijn op de door haar gestelde auteursrechtelijke inbreuk op haar claimbrieven. De overige verweren die [A] en ProBe hebben aangevoerd tegen voornoemde stelling van Lennoc behoeven derhalve geen bespreking meer.


4.18. (...) Dat de claimbrieven van Lennoc en ARAG inhoudelijk gelijkenis vertonen is naar het oordeel van de rechtbank niet verwonderlijk en onvermijdbaar, nu de (op de Verordening en de jurisprudentie gegronde) rechten van passagiers die een vertraagde vlucht hebben gehad daarin zijn opgenomen. De claimbrieven van ARAG maken naar het oordeel van de rechtbank ook om die reden geen inbreuk op de geschriftenbescherming die op de claimbrieven van Lennoc rust, zodat Lennoc zich tegen het gebruik hiervan ook niet kan verzetten.

Bijlage claimbrief: 4.21.  (…) . De enkele omstandigheid dat ARAG een soortgelijke bijlage als Lennoc gebruikt en deze bijlage deel uitmaakt van de software die ARAG van ProBe heeft betrokken, impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat ARAG de bijlage van Lennoc van ProBe heeft gekregen en dat ProBe de bijlage op haar beurt in handen heeft gekregen via [A]. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat [A] en ProBe onweersproken hebben aangevoerd dat ARAG zelf reeds over voornoemde bijlage van Lennoc beschikte, omdat zij in het verleden vertragingsclaims van haar verzekerden heeft laten afhandelen door EUclaim. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vorderingen van Lennoc afwijzen, voor zover deze zijn gegrond op de stelling dat [A] en ProBe inbreuk hebben gemaakt op haar auteursrechten ten aanzien van de bijlage bij de door haar gehanteerde eerste claimbrieven. Nu ARAG niet in de onderhavige procedure betrokken is, behoeft de vraag er daadwerkelijk een auteursrecht rust op de bijlage en of ARAG met de door haar gebruikte bijlage bij de claimbrieven daadwerkelijk inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Lennoc, verder geen bespreking.
 
Software: 4.24.  De rechtbank is van oordeel dat er een auteursrecht rust op de door Lennoc ontwikkelde software, nu niet gesteld of gebleken is dat de software is ontleend aan een ander werk en niet in geschil is dat de software het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en aldus van creatieve keuzes. Dat het ontwikkelen van de software volgens ProBe "rocket science" is en aldus niet ingewikkeld is, doet naar het oordeel van de rechtbank - wat er verder ook zij van de juistheid van deze stelling - niet af aan de oorspronkelijkheid van de software en de persoonlijk stempel daarop van Lennoc. (…)

4.25.  De rechtbank is van oordeel dat Lennoc op grond van artikel 150 Rv dient te bewijzen dat [A] en ProBe de door ProBe gebruikte software hebben ontleend aan haar software en dat zij aldus inbreuk hebben gemaakt op haar auteursrechten. De rechtbank ziet - anders dan Lennoc heeft betoogd - geen aanleiding om voorshands uit te gaan van het vermoeden van inbreuk en om [A] en ProBe tegenbewijs te laten leveren tegen dit vermoeden. Voor het aannemen van een dergelijk vermoeden is slechts plaats indien sprake is van een bepaalde mate van overeenstemming tussen werken (zie HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164). (…) De rechtbank is van oordeel dat van vorenbedoelde mate van overeenstemming tussen de software van Lennoc en de software die [A] voor ProBe heeft ontwikkeld, niet is gebleken. De enkele omstandigheid dat de software van zowel Lennoc als ProBe geschikt zijn voor hetzelfde doel, namelijk het automatiseren van bedrijfsprocessen ten behoeve van vertragingsclaims, is daartoe onvoldoende. Gelijk [A] en ProBe hebben aangevoerd, is het aanbieden van software op het gebied van vertragingsclaims op zichzelf staand niet auteursrechtelijk beschermd. Nu de broncodes van de software van Lennoc en ProBe niet in het geding zijn gebracht en Lennoc ook niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe haar software tot stand is gekomen, overweegt de rechtbank dat uit de totaalindrukken van de software van Lennoc en ProBe niet kan worden afgeleid dat de software te weinig van elkaar verschilt en dat de software van ProBe daarom niet als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.

4.26.  De rechtbank is van oordeel dat Lennoc onvoldoende feiten heeft aangevoerd voor haar stelling dat [A] en ProBe inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten die op haar software rusten, in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door [A] en ProBe. De rechtbank overweegt daartoe dat [A] en ProBe voldoende onderbouwd hebben aangevoerd dat [A] in opdracht van ProBe en met behulp van de heer [N] en het bedrijf Qubiz binnen zes maanden daadwerkelijk de technische kant van een SAP-Killer heeft ontwikkeld en dat een specifieke toepassing hiervan de zelfstandig ontwikkelde en op maat gemaakte software voor vertragingsclaims voor ARAG betreft.

Nu Lennoc enkel heeft volstaan met de stelling dat de functionaliteiten van de software van ProBe volkomen identiek is aan haar software en zij deze stelling niet nader heeft toegelicht, terwijl [A] en ProBe gemotiveerd hebben betwist dat voornoemde software volkomen identiek is en zij bovendien onderbouwd hebben aangevoerd dat het logisch is dat de functionaliteiten van de software overeenkomen - zoals de automatische generatie van (de bijlage bij) de claimbrieven - omdat de software hetzelfde doel dient, namelijk het geautomatiseerd afhandelen van vertragingsclaims, is de rechtbank van oordeel dat hetgeen Lennoc ter onderbouwing van haar stelling aanvoert, geen schending van de auteursrechten van Lennoc oplevert. Voor bewijslevering is geen plaats, gelet op het vorenoverwogene.

Lees het vonnis hier.