De huidige derde vraag wordt enigszins geherformuleerd
Print pagina
B9 11774. Rechtbank ’s-Gravenhage, sector bestuursrecht, 12 oktober 2012, verwijzingsuitspraak in zaak AWB 10/4769, Georgetown University tegen Octrooicentrum Nederland.
Octrooirecht. ABC’s. Definitieve verwijzingsuitspraak na B9 11462, waarbij het onderzoek in (mede) deze zaak naar aanleiding van het Medeva-arrest van het HvJ EU werd heropend (ex artikel 8:68 Awb), teneinde nadere prejudiciële vragen te stellen. In de heropeningsuitspraak werd bepaald dat partijen in de gelegenheid zouden worden gesteld om zich schriftelijk uit te laten omtrent de formulering van het in die uitspraak opgenomen voorstel voor de formulering van de aan het HvJ EU te stellen prejudiciële vragen. De onderhavige uitspraak betreft de uiteindelijk vastgestelde formulering van die vragen:
“De rechtbank kan zich in hoofdzaak vinden in de door eiseres bij brief van 5 september 2012 voorgestelde aanpassing van de formulering en de volgorde van de te stellen prejudiciële vragen, zij het dat de huidige derde vraag enigszins wordt geherformuleerd. De rechtbank stelt de navolgende vragen aan het Hof van Justitie met het verzoek daarover bij prejudiciële beslissing uitspraak te doen:
Vraag 1. Verzet Verordening 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, meer in het bijzonder artikel 3, aanhef en onder c daarvan, zich ertegen dat, in de situatie dat een van kracht zijnd basisoctrooi meerdere producten beschermt, aan de houder van het basisoctrooi een certificaat wordt afgegeven voor ieder van de beschermde producten?
Vraag 2. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, hoe dient artikel 3, aanhef en onder c, van de Verordening te worden uitgelegd in de situatie dat een van kracht zijnd basisoctrooi meerdere producten beschermt en op de aanvraagdatum van een certificaat voor één van de door het basisoctrooi beschermde producten (A), weliswaar nog geen certificaten waren verkregen voor andere producten (B, C) beschermd door hetzelfde basisoctrooi, doch op die aanvragen voor de producten (B, C) certificaten zijn afgegeven voordat op de aanvrage voor een certificaat voor het eerstgenoemde product (A) is beslist?
Vraag 3. Is het voor de beantwoording van de vorige vraag van belang of de aanvrage voor één van de door het basisoctrooi beschermde producten (A) op dezelfde datum is ingediend als de aanvragen voor andere producten (B, C) beschermd door hetzelfde basisoctrooi?
Vraag 4. Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, kan een certificaat worden afgegeven voor een door een van kracht zijnd basisoctrooi beschermd product, indien reeds eerder voor een ander door hetzelfde basisoctrooi beschermd product een certificaat is afgegeven, maar van dit laatste certificaat door de aanvrager afstand wordt gedaan met het oogmerk een nieuw certificaat te kunnen verkrijgen op basis van hetzelfde basisoctrooi?
Vraag 5. Indien het voor beantwoording van de vorige vraag relevant is of de afstand terugwerkende kracht heeft, wordt de vraag of afstand terugwerkende kracht heeft beheerst door artikel 14, aanhef en onder b, van de Verordening of door het nationale recht? Indien de vraag of afstand terugwerkende kracht heeft wordt beheerst door artikel 14, aanhef en onder b, van de Verordening, dient die bepaling zo te worden uitgelegd dat afstand terugwerkende kracht heeft?
Lees de uitspraak hier.

























