De rechtszekerheid voor ‘namakers'
Print pagina
B9 11389. Benelux Gerechtshof, 13 juni 2012, conclusie A-G Timmerman in zaak A 11/4, MAG Instrument Inc. tegen Edco Eindhoven B.V. en P.P. Impex B.V. (met dank aan Niels Mulder, DLA Piper).
Modellenrecht. Slaafse nabootsing. Conclusie AG BenGH na prejudiciële vragen van de Hoge Raad (B9 10341) in een geschil over de gestelde nabootsing van de zaklampen van MAG Instrument. De conclusie ziet slechts op het modellenrecht en de slaafse nabootsing. De auteursrechtelijke en merkenrechtelijke vorderingen komen in deze conclusie niet ter sprake.
Met betrekking tot de gestelde slaafse nabootsing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Benelux-Gerechtshof over het overgangsrecht met betrekking tot het inmiddels vervallen samenloopverbod (dat er op neerkwam dat het niet mogelijk was op te treden op grond van (nationaal) recht met betrekking tot onrechtmatige daad / slaafse nabootsing, voor zover tegen de vermeend onrechtmatige gedragingen ook opgetreden werd of had kunnen worden op grond van het modelrecht). De vraag i.c. luidt of het samenloopverbod van art. 14 lid 8 BTMW, dat per 1 december 2003 is afgeschaft, nog moet worden toegepast in een geval waarin vóór die datum met de bestreden handelingen was begonnen?
Ja, is de conclusie van A-G Timmermans: “De ratio van art. IV Protocol en de strekking van de toelichting daarbij, wijzen op eerbiediging van bestaande rechten van partijen die een model voor 2003 zijn gaan namaken.” Enerzijds hecht ik aan de al in de hiervoor besproken ratio vervatte rechtszekerheid voor de 'namakers' dat rechten die zij voor de wetswijziging hadden en waar zij (veelal) hun activiteiten en investeringen op hebben afgestemd, niet al te snel zullen wegvallen door een wetswijziging. (…) Daar komt bij dat het m.i. in de regel wenselijk is te kiezen voor een uitleg die zo veel mogelijk uniformiteit brengt in de overgangsrechtelijke situatie. Dat komt de overzichtelijkheid en eenvoud van het toepasselijke recht ten goede.”
(…) “4. Conclusie. lk ben, op grond van het voorgaande, van mening uw Hof te kunnen adviseren als volgt te antwoorden op de door de Hoge Raad der Nederlanden gestelde prejudiciële vragen:
Vraag 1: Art. IV van het Protocol houdende Wijziging van de Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of model/en van Brussel van 20 juni 2002, dient aldus te worden uitgelegd dat onder de in dat artikel genoemde handelingen moeten worden begrepen de handelingen waartegen de houder van de tekening of het model zich niet kon verzetten krachtens de tekst van art. 14 lid 8 BTMW, zoals dat gold vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dat Protocol.
Vraag 2: (indien uw Hof van mening is dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord): Als regel van overgangsrecht dient te worden aangenomen dat artikel 14 lid 1 BTMW, zoals gewijzigd bij het Protocol houdende wijziging van de Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of model/en van Brussel van 20 juni 2002, niet van toepassing is op handelingen die worden verricht door de gene die daarmee vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit Protocol was begonnen, indien de houder van de tekening of het model zich niet kon verzetten tegen deze handelingen krachtens art. 14 lid 8 BTMW zoals dat gold v66r het tijdstip van de inwerkingtreding van dit Protocol.
Lees de conclusie hier.

























