De teruggave van de neuswielmodule

Print pagina

B9 11565. Vzr. Rechtbank Arnhem, 16 augustus 2012, LJN: BX4908, Lusaro B.V. c.s. tegen Tonli Beheer B.V. c.s.

Stukgelopen samenwerking met (onbeslist) IE-componentje. Executiegeschil na eerdere procedure over een samenwerking m.b.t. een verbeterde middenas voor aanhangers, waarbij de vzr. oordeelde dat voor de beantwoording van de vraag of gedaagde i.c. intellectuele eigendomsrechten had en of daarop inbreuk werd gemaakt, nadere onderbouwing en bewijslevering nodig was, waarvoor in dat kort geding geen plaats was. In de bodemprocedure lijkt het IE-recht niet meer ter sprake te zijn gekomen en oordeelde de rechtbank dat  de samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden of opgezegd en werd eiser c.s. veroordeeld tot nakoming jegens gedaagde c.s. In het kader van die samenwerking diende  gedaagde c.s. over de neuswielmodule te moeten kunnen beschikken en de vordering die strekte tot teruggave van de neuswielmodule werd toegewezen.

Het gaat in dit geding om de executie van het kortgedingvonnis van 16 mei 2011 en het eindvonnis in de bodemzaak van 13 juni 2012. Gedaagde c.s. hebben een viertal executoriale beslagen gelegd, die alle zijn gebaseerd op het vonnis van 13 juni 2012. De kern van het geschil betreft de executie van de dwangsommen op grond van het vonnis van 13 juni 2012.

Aan de veroordeling tot teruggave van de neuswielmodule was niet afzonderlijk een dwangsom verbonden, omdat deze teruggave onlosmakelijk samenhing met het bevel tot voortzetting van de samenwerking. “De hamvraag is of eiser c.s. met hetgeen hij heeft gedaan, onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling.” Dat kan, naar mening van de vzr. (nog) niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld en er bestaat derhalve onvoldoende zekerheid dat er tot op heden dwangsommen zijn verbeurd. “Dit leidt er toe dat de executie van het vonnis zal worden geschorst.”

4.14. Er staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter met onvoldoende mate van zekerheid vast dat een bodemrechter zal oordelen dat eiser c.s. met de door hem verrichte handelingen niet aan het gebod tot voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst heeft voldaan en daarom dwangsommen heeft verbeurd. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. In het vonnis van 13 juni 2012 is overwogen (ro. 3.6.) dat de partijen zich zullen moeten bezinnen op de vraag hoe uitvoering kan worden gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst ‘Lusaro 2, voortzetting van Lusaro 1’ nu het subsidiebesluit van 9 september 2010 is gewijzigd door dat van 9 juni 2011. eiser c.s. heeft gesteld dat verdere samenwerking slechts mogelijk is indien de subsidieverstrekkende autoriteit daar haar medewerking aan verleent. Die stelling is niet gemotiveerd betwist zijdens gedaagde c.s., sterker nog, deze heeft verklaard dat het in 2010 aan hem verstrekte voorschot was verbruikt en daarmee in wezen bevestigd dat aanvullende subsidie zou dienen te worden verstrekt. Dat eiser c.s. voorstelt zich te richten op een wijzigingsverzoek aan de Management Autoriteit is in dat licht voorstelbaar. Met gedaagde c.s. is de voorzieningenrechter voorshands van mening dat het aan eiser is om nadere informatie over de stand van zaken in het project te verstrekken, althans meer informatie dan het overzicht van 13 juli 2012, doch het gegeven dat eiser c.s. deze informatie nog niet heeft verstrekt, is onvoldoende voor het oordeel dat eiser c.s. in ernst niet kon betwijfelen dat wat hij deed onvoldoende was. Daarbij wordt tevens in overweging genomen dat een veroordeling tot voortzetting van de samenwerking in zekere mate een duurkarakter heeft, dat duidelijk is dat voor effectuering van de samenwerking nog nader overleg tussen de partijen nodig was, dat de bestreken periode de zomerperiode betreft waarin zowel de advocaat van gedaagde c.s. als die van eiser c.s. als eiser zelf met vakantie gingen en dat de eerste bespreking – van 9 juli 2012 – in ieder geval in overleg met de advocaat van gedaagde c.s. op die datum is gepland.

4.15.  Een en ander leidt er toe dat naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende zekerheid bestaat dat er tot op heden dwangsommen zijn verbeurd. Dit leidt er toe dat de executie van het vonnis zal worden geschorst. Weliswaar heeft eiser c.s. geen schorsing maar staking van de executie gevorderd, maar in de vordering tot staking ligt het mindere, schorsing, besloten. Voor een bevel tot staking van de executie bestaat anderzijds namelijk ook onvoldoende grond. Het is niet zo evident dat er geen dwangsommen zijn verbeurd dat gedaagde c.s. alleen al op grond daarvan misbruik van bevoegdheid maken door de executoriale beslagen te handhaven.

Lees het vonnis hier. Eerdere uitspraken hier.