Deel 3 Biografie Reve: de toestemming betrof het gehele manuscript

Print pagina

B9 11776. Vzr. Rechtbank Amsterdam, 23 oktober 2012, Schafthuizen tegen Uitgeverij Van Oorshot en Maas (met dank aan Bertil van Kaam & Remco Klöters, Van Kaam Advocaten en Jaap Spoor).

"Dat het niet aannemelijk moet worden geacht dat de bodemrechter, in geval deze tot de conclusie mocht komen dat er sprake is van schending van de door Schafthuizen gestelde voorwaarden, deze schending zodanig ernstig is dat daarmee een ingrijpende maatregel als thans gevorderd wordt gerechtvaardigd."

Auteursrecht. Kort geding na Gerechtshof Amsterdam, 26 juni 2012, B9 11379, in een geschil over het gebruik van (o.a.) citaten uit ongepubliceerd werk van Gerard Reve in het derde deel van een door gedaagde Nop Maas geschreven biografie van Gerard Reve. Het gerechtshof oordeelde eerder dat voldoende aannemelijk was dat de auteursrechthebbende, Joop Schafthuizen, de partner van de in april 2006 overleden Gerard Reve, toestemming had verleend voor publicatie. 

Naar aanleiding van het daadwerkelijk verschijnen van het derde deel van de biografie, eerder deze week, heeft eiser Schafthuizen een tweede kort geding ingesteld. De voorzieningenrechter staat dit tweede kort geding toe, maar volgt het eerdere oordeel van het hof en wijst de vorderingen van Schafthuizen af:

Wilsverklaring: 4.8. (…) Uitgeverij c.s. onweersproken heeft verklaard dat Schafthuizen in de contacten die zij met hem had in het geheel niet de indruk wekte zijn wil niet (goed) te kunnen bepalen slaagt dit beroep op artikel 3:35 BW. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure, op grond van hetgeen thans over de geestelijke gezondheid van Schafthuizen is aangevoerd, tot het oordeel zal worden gekomen dat er wat betreft het geven van toestemming sprake is van een vernietigbare rechtshandeling.

Correcties in tekst: (…) 4.11. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Ter terechtzitting is gebleken dat er twee - onderling verschillende - versies van een typoscript met (al dan niet door Schafthuizen) aangebrachte wijzigingen bestaan. Of het door Schafthuizen als productie 16 overgelegde typoscript het typoscript is dat door hem in oktober 2010 aan de Uitgeverij c.s. is geretourneerd - zoals Schafthuizen stelt en de Uitgeverij c.s. gemotiveerd betwist- vergt een nader onderzoek naar de feiten waarvoor een kort geding zich niet leent.  Dat de voorwaarden waaronder toestemming is verleend zijn geschonden kan dan ook niet als voldoende aannemelijk worden beschouwd. Daar komt bij dat, nu de Uitgeverij c.s. onweersproken heeft gesteld dat het boek dat is verschenen overeenkomt met de drukproef, die reeds geruime tijd in het bezit van Schafthuizen is, en dat de privacy van derden niet door de verschijning van het boek wordt aangetast, het niet aannemelijk moet worden geacht dat de bodemrechter, in geval deze tot de conclusie mocht komen dat er sprake is van schending van de door Schafthuizen gestelde voorwaarden, deze schending zodanig ernstig is dat daarmee een ingrijpende maatregel als thans gevorderd wordt gerechtvaardigd. De vordering is daarom op deze grond niet toewijsbaar.

Toestemming: 4.12. Uit het voorgaande volgt dat op basis van de thans nieuw aangevoerde feiten en omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat er geen sprake was van door Schafthuizen verleende toestemming, dan wel van schending van de door hem gestelde voorwaarden waaronder de toestemming is verleend. Schafthuizen stelt nog dat in de eerdere procedure uitsluitend is ingegaan op de vraag of er toestemming is verleend voor publicatie van niet eerder vrijgegeven werk van Gerard Reve. In het thans verschenen boek wordt echter ook geciteerd uit werk van Gerard Reve dat wel eerder openbaar is gemaakt en daarnaast bevat het ook van Schafthuizen zelf afkomstige tekst. Nog niet is beslist dat de toestemming ook hierop betrekking had, aldus Schafthuizen.

4.13. De voorzieningenrechter verwerpt deze stelling. In de eerste plaats betreft het gestelde gebrek aan toestemming geen nieuw feit dat zich eerst na de vorige procedure heeft voorgedaan. Daarnaast is door Schafthuizen niet inzichtelijk gemaakt op grond waarvan de door hem verleende toestemming (waartoe het gerechtshof heeft gecencludeerd) en/of het door hem in de eerdere procedure gestelde gebrek aan toestemming, door de Uitgeverij c.s. zo begrepen had moeten worden dat dit uitsluitend betrekking had op die delen van het hem toegezonden manuscript waarin passages uit niet eerder gepubliceerd werk van Reve waren opgenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht de Uitgeverij c.s. er in beide gevallen gerechtvaardigd vanuit gaan dat Schafthuizen het gehele manuscript op het oog had. Hetgeen partijen hebben aangevoerd met betrekking tot het citaatrecht behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling meer.

4. 14. Ook hetgeen Schafthuizen heeft gesteld omtrent de bruikbaarheid van heimelijk opgenomen telefoongesprekken vormt voor de beoordeling van de vraag of er al dan niet toestemming is verleend geen nieuw feit dat zich eerst na de vorige procedure heeft voorgedaan. Reeds op deze grand kunnen de stellingen van Schafthuizen op dit punt in deze procedure niet leiden tot een ander oordeel dan door het gerechtshof op 26 juni 2012 is gegeven.

WPB & EVRM: 4. 17. Artikel 8 WBP bepaalt dat verwerking van persoonsgegevens is toegestaan ingeval de betrokkene daarvoor ondubbelzinnig zijn toestemming heeft verleend. Voor zover er vanuit moet worden gegaan dat de toestemming waartoe het gerechtshof in het vonniis van 26 juni 2012 heeft geconcludeerd niet ondubbelzinnig is gegeven geldt het volgende. Nu alleen Schafthuizen eiser is in deze procedure kunnen uitsluitend de op hem betrekking hebbende persoonsgegevens in de beoordeling worden betrokken. Schafthuizen heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verwerking van zijn persoonsgegevens een zodanig nadelig gevolg voor hem heeft dat dit, na weging van de wederzijdse belangen, tot een maatregel als door hem gevorderd zou moeten leiden.

4.18. Schafthuizen heeft tot slot aangevoerd dat in de eerdere procedure de inbreuk die door het boek wordt gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer "onderbelicht" is gebleven. Dit is echter geen nieuw feit zoals door de Hoge Raad in zijn onder 4.3 aangehaalde arresten is bedoeld zodat hieraan in dit kort geding voorbij kan worden gegaan, waarbij de voorzieningenrechter ten overvloede opmerkt dat, mede gezien het feit dat Schafthuizen kan worden beschouwd als •een publiek bekend figuur, een weging van de wederzijdse belangen ook in dit geval niet tot toewijzing van de vordering kan leiden.

 

1019h proceskosten Schafthuizen: €10.865,00

Lees het vonnis hier of hier: LJN:BY0934