Een korte broek bestemd om in te surfen

Print pagina

B9 11614. Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 5 september 2012, KG ZA 12-851, O’Neil Europe B.V. tegen New Yorker Nederland B.V. (met dank aan Helmer Klingenberg & Micheline Don, NautaDutilh).

Auteursrecht. Eiseres O’Neill stelt dat gedaagde New Yorker inbreuk maakt op haar auteursrecht m.b.t. een zogeheten boardshort, een korte broek bestemd om in te surfen, uit de O’Neill collectie van 2011. De voorzieningenrechter oordeelt dat de boardshort van O’Neil inderdaad als een auteursrechtelijk beschermd werk moet worden aangemerkt, nu deze bestaat “uit een specifieke combinatie van vormgevingselementen als dessins, kleuren en afbeeldingen, welke combinatie zonder meer kan worden aangemerkt als het resultaat van creatieve keuzes van de maker.” De short wijkt daarbij aanzienlijk af van het door gedaagde gestelde vormgevingserfgoed. Aangezien de totaalindruk van de boardshort van gedaagde New Yorker daarnaast te weinig verschilt om als een zelfstandig werk te kunnen worden aangemerkt, wordt inbreuk aangenomen.

4.6. Voorshands oordelend zijn er verschillen aan te wijzen tussen de shorts, welke bestaan uit onder meer het andere Boeddha-hoofd van New Yorker, de afbeelding die bij de New Yorker-short een wat minder groot gedeelte van de broekspijp beslaat dan bij de O’Neill-short en ook d edetails van de dessins zijn hier en daar anders. Deze verschillen leiden echter naar voorlopig oordeel vanwege de sterke overeenstemming van de meer in het oog springende elementen van de shorts niet to een andere totaalindruk dan die van de O’Neill-short. (…)

 4.7. De overeenstemmende totaalindruk (…) leidt tot het vermoeden dat sprake is ban intlening en nu dit vermoeden door New Yrker op geen enkele manier is ontkracht, is er naar vorlopig oordeel sprake van auteursrechtinbreuk. Dit geldt eveneens ten aanzien van de witte uitvoering van de new Yorker-short. De witte in plaats van zwarte achtergrond geeft (…) geen andere totaalindruk.

Naast staking van de inbreuk dient de New Yorker Group de pagina's met inbreukmakende shorts op de website newyorker.de te blokkeren voor Nederlandse IP-adressen. Nu auteursrechtinbreuk wordt aangenomen, behoeven de vorderingen op grond van het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodellenrecht en de slaafse nabootsing naar oordeel van de vzr geen nadere bespreking.

M.b.t. het spoedeisend belang stelt de vzr. daarnaast dat de door gedaagde aangeboden onthoudingsverklaring geen boetebeding bevat en dat er ook anderszins onvoldoend garantie bestaat dat de short niet meer op de mark zal worden gebracht.

Aardig om te vermelden is wellicht nog de opmerking van de vzr. m.b.t. een van de andere gedaagde partijen: “Het enkel feit dat een onderneming in een andere procedure betreffende intellectuele eigendomsrechten in het verleden als gedaagde is opgetreden en veroordeeld, is niet maatgevend voor de betrokkenheid van die partij in de onderhavige procedure.”

1019h proceskosten New Yorker (onbetwist): € 32.120,23.

Lees het vonnis hier.