Eiser en zijn gezinsleden zullen veel hebben moeten uitleggen

Print pagina

B9 11782. Rechtbank 's-Hertogenbosch, 11 oktober 2012, LJN: BY1181,  Eiser tegen Stichting Regionale Omroep Brabant.

Mediarecht. Immaterieel portretrecht. “Eind november 2011 is bij de woning van [X] een haar in eigendom toebehorende auto uitgebrand. Met een bij de woning geïnstalleerde veiligheidscamera zijn een aantal uren voor de brand opnames gemaakt. [X] heeft deze beelden aan Omroep Brabant ter beschikking gesteld en deze heeft de beelden enkele dagen op een door haar gecontroleerde website gezet, welke site voor het algemeen publiek toegankelijk is. Bij de beelden is een tekst gepubliceerd met als titel "Is dit de Bossche pyromaan?"  Voldoende aannemelijk is dat eiser op de beelden te zien is.


De vordering jegens [X] wordt afgewezen, omdat zij niet onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld. Ten aanzien van Omroep Brabant wordt voldoende aannemelijk geacht dat eiser als gevolg van de publicatie immateriële schade heeft geleden, in die zin dat hij door de publicatie van de beelden en de daarbij geplaatste teksten in zijn eer of goede naam is aangetast. Eiser heeft op grond van artikel 6:106 BW recht op een schadevergoeding van € 1.000,-.”

2.10 (…) Zoals hiervoor overwogen is het bepaald niet evident dat [eiser] de man is die op de overgelegde camerabeelden is te zien. Slechts heel kort is van enige afstand zijn gezicht te zien, maar slechts vaag. Niet aannemelijk is dat hij door het grote publiek is herkend als de persoon op de camerabeelden. En ook al heeft [eiser] twee cafés in ’s-Hertogenbosch geëxploiteerd, vanwege de onduidelijke beelden is het eveneens onaannemelijk dat hij “door talloze personen is herkend”. Omdat de beelden zo onduidelijk zijn kan het niet anders dan dat hij slechts door goede bekenden van hem is herkend als degene die mogelijk op de beelden te zien is. Juist zou kunnen zijn dat de zeven personen van wie [eiser] een verklaring in het geding heeft gebracht hem in de beelden hebben herkend en dat in zijn sociale kring een ieder met de publicatie/verdachtmaking bekend is geworden. Onvoldoende is echter onderbouwd dat er als gevolg van de publicatie een sfeer van wantrouwen en onbegrip en een enorme belasting voor hem en zijn gezin is ontstaan en dat de publicatie een vergaande inbreuk op zijn functioneren heeft teweeg gebracht. Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat deze personen de verdachtmakingen niet hebben geloofd dan wel kregen te horen dat er niets van waar was. Voor hen was de kous daarmee kennelijk (snel) af. Dat neemt niet weg dat aannemelijk is dat [eiser] en zijn gezinsleden veel zullen hebben moeten uitleggen aan anderen.

2.11. Gelet op het hiervoor overwogene is voldoende aannemelijk dat [eiser] als gevolg van de publicatie immateriële schade heeft geleden, in die zin dat hij door de publicatie van de beelden en de daarbij geplaatste teksten in zijn eer of goede naam is aangetast. Op grond van artikel 6:106 BW heeft hij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

Lees het vonnis hier.