Gearchiveerd plagiaat en het recht om te worden vergeten

Print pagina

B9 11673. Vzr. Rechtbank Groningen, 14 september 2012, LJN: BX7924, Eiseres tegen Stichting Universiteitsblad Groningen.

"Opmerkelijk is in dit verband dat eiseres zich niet heeft ingespannen haar fout of die van gedaagde publiekelijk -bijvoorbeeld als ingezonden brief- te corrigeren, maar zich steeds tegenover gedaagde en thans in rechte uitsluitend heeft beroepen op de nadelige gevolgen van een en ander voor haar toekomst."

Auteursrecht, althans mediarecht met een auteursrechtelijk oorsprong en het recht om te worden vergeten. Eiseres vordert verwijdering van een artikel uit het digitale archief van de Universiteitskrant Groningen (UK). Achtergrond bij het vonnis biedt Rechtenstudie.nl, dat bericht: “In 2007 schreef de UK over de ophef die was ontstaan toen bleek dat de toenmalige rechtenstudent een artikel over eerwraak voor het blad Nait Soez'n van de Groninger Studentenbond nagenoeg letterlijk had overgeschreven uit een rapport uit 2003. Uit het vonnis zelf blijkt o.a. dat gedaagde  “stelt dat niet sprake is van "overschrijven", maar dat het rapport bij wijze van citaat onbedoeld integraal in haar artikel is terechtgekomen, waaronder zij haar eigen naam heeft vermeld, dan wel dat zij per ongeluk het verkeerde bestand voor publicatie heeft ingezonden.” De eer en goede naam van eiseres, alsmede die van de Rechten Academie, zouden door deze publicatie ernstig worden geschaad.

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat het door UK bepleite publieke belang van vrije nieuwsgaring en volledige archivering prevaleert. Over de archivering stelt de vzr. dat “ook bij rechtmatige publicaties kunnen, door internet en zoekmachines als Google, de gevolgen daarvan nog langdurig zijn nadelige effecten hebben voor de betrokken personen. Daarmee [kan] het grondrecht op bescherming van eer en goede naam zozeer in de verdrukking komen dat overwogen moet worden of het belang van langdurige (digitale) archivering van zo'n publicatie daarvoor onder bijzondere omstandigheden zou moeten wijken.” In het onderhavige geval is geen sprake van dergelijke omstandigheden en de vzr. sluit in zijn oordeel aan bij een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter Amsterdam: "(...) de samenleving moet kunnen vertrouwen op een volledige en integere (online) archivering. Media hebben bij het dienen van dit publieke belang een belangrijke taak. De pers heeft namelijk de primaire rol van publieke waakhond, maar een belangrijke secundaire functie is het beschikbaar maken van nieuws in archieven.”

In citaten:

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter evenwel niet gebleken dat de hiervoor geciteerde passage uit het artikel dat betrekking heeft op eiseres in persoon, onjuistheden bevat. (…)  Eiseres heeft zowel in een interview met een redacteur van de UK (gepubliceerd in de UK d.d. 6 september 2007 en overgelegd door gedaagde als productie 2) als thans ter zitting erkend dat haar publicatie geheel overeenkomt met het rapport uit 2003. Zij stelt evenwel dat niet sprake is van "overschrijven", maar dat het rapport bij wijze van citaat onbedoeld integraal in haar artikel is terechtgekomen, waaronder zij haar eigen naam heeft vermeld, dan wel dat zij per ongeluk het verkeerde bestand voor publicatie heeft ingezonden.

Nog daargelaten dat niet is gebleken dat eiseres de verkeerde publicatie eigener beweging heeft gecorrigeerd, kan uit deze eigen stelling van eiseres naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat de desbetreffende passage uit het gewraakte artikel onjuistheden bevat. Die stelling houdt integendeel een erkenning in van hetgeen door de UK als feit is gepresenteerd. Dat het overnemen van (een deel van) het rapport uit 2003  -volgens eiseres- per ongeluk is gebeurd, maakt dit niet anders.

Opmerkelijk is in dit verband dat eiseres zich niet heeft ingespannen haar fout of die van gedaagde publiekelijk -bijvoorbeeld als ingezonden brief- te corrigeren, maar zich steeds tegenover gedaagde en thans in rechte uitsluitend heeft beroepen op de nadelige gevolgen van een en ander voor haar toekomst.

Gelet op het vorenoverwogene bevat de gewraakte passage naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen onjuistheden, althans niet zodanige onjuistheden dat dit onrechtmatigheid in de zin van artikel 6: 162 BW oplevert. Dit geldt ook voor het opnemen van de passage in het gewraakte artikel als zodanig. Hoewel de toon van de passage scherp kan worden genoemd en het betreffende incident al enigszins gedateerd; niet kan worden aangenomen dat verwijzing daarnaar in de gegeven omstandigheden zonder doel en mitsdien onnodig beschadigend was.
 
Voor zover eiseres heeft gesteld dat gedaagde vóór het plaatsen van het gewraakte artikel eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld daarop te reageren, wordt dit gelogenstraft door een overgelegde conceptdagvaarding van de zijde van eiseres waarin telefonisch contact tussen partijen voorafgaand aan de publicatie van het artikel wordt bevestigd. Ook uit de overgelegde mailwisseling tussen de Rechten Academie en mr. Landstra van Hanze Advocaat blijkt dat eiseres in staat is gesteld te reageren. Dat eiseres niet vooraf het gehele artikel voorgelegd heeft gekregen, maakt dat niet anders.

Voorts is aan de orde de beoordeling van de vraag of het in het (digitale) archief en op internet geplaatst houden van het artikel, althans de laatste passage daarvan, jegens eiseres als onrechtmatig is aan te merken. Bij de afweging van de wederzijdse belangen wordt voorop gesteld dat de voorzieningenrechter - gelet op het voorgaande - uitgaat van de rechtmatigheid van het artikel. Maar ook bij rechtmatige publicaties kunnen, door internet en zoekmachines als Google, de gevolgen daarvan nog langdurig zijn nadelige effecten hebben voor de betrokken personen. Zoals reeds in rechtsoverweging 4.3. overwogen, kan daarmee het grondrecht op bescherming van eer en goede naam zozeer in de verdrukking komen dat overwogen moet worden of het belang van langdurige (digitale) archivering van zo'n publicatie daarvoor onder bijzondere omstandigheden zou moeten wijken.


UK heeft aangevoerd dat -conform beleid- artikelen twee jaar online blijven op haar eigen web-site en daarna worden verwijderd. In verband met een vernieuwing van de site, heeft UK onverplicht het gewraakte artikel vervroegd van haar site verwijderd, zodat partijen daarover niet (langer) twisten. De artikelen worden echter wel bewaard in het online archief [naam] . Niet alleen hecht UK aan een complete archivering van haar publicaties, ook wijst zij op de omstandigheid dat selectief schrappen van passages niet mogelijk is, omdat archivering plaats heeft in de vorm van een flash-versie (een integrale digitale copie).


Bij de afweging tussen enerzijds het door UK bepleite publieke belang van vrije nieuwsgaring en volledige archivering daarvan en anderzijds het private belang van eiseres bij bescherming van haar eer en goede naam, sluit de voorzieningenrechter aan bij hetgeen de voorzieningenrechter te Amsterdam in een uitspraak van 31 maart 2010 heeft overwogen: "(...) de samenleving moet kunnen vertrouwen op een volledige en integere (online) archivering. Media hebben bij het dienen van dit publieke belang een belangrijke taak. De pers heeft namelijk de primaire rol van publieke waakhond, maar een belangrijke secundaire functie is het beschikbaar maken van nieuws in archieven. Daarmee is een verplichting tot het verwijderen van artikelen, die op zichzelf rechtmatig zijn, uitsluitend vanwege een negatieve lading, niet goed te verenigen. De archivering zou dan geen betrouwbare getuigenis van het verleden meer vormen." (LJN:BM4462).

Aldus komt de voorzieningenrechter tot het oordeel, dat alle belangen afwegend, het belang van eiseres bij bescherming van haar eer en goede naam niet opweegt tegen het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van de integrale archivering daarvan.

Lees het vonnis hier.