Geen onduidelijkheid over de auteursrechtelijke positie

Print pagina

B9 11545. Rechtbank Amsterdam, 14 juni 2012, LJN: BX4072, Filmotech Nederland B.V., tegen de Raad van bestuur van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO).

Auteursrecht, althans auteursrechtelijke component in bestuursrechtelijke uitspraak over de weigering van de NPO om toestemming te geven om oude Nederlandse televisieseries ter beschikking te stellen via Ximon (een handelsnaam van eiseres Filmotech). De website zou wel de  steun hebben van Nederlandse film- en televisieproducenten, individuele omroepen en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), zo blijkt o.a. uit eerdere kamervragen.

In het onderhavige vonnis oordeelt de rechtbank dat de NPO het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres is geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Eiseres heeft slechts een afgeleid belang en de rechtbank is van oordeel dat eiseres door het primaire besluit niet in een aan een zakelijk recht ontleend belang wordt getroffen, en dat sprake is van een parallel belang van eiseres met dat van de omroepen. Het gemeenschappelijk belang van beide partijen is uiteindelijk gelegen in het verkrijgen van toestemming van verweerder voor de gecontracteerde diensten. Evenmin wordt eiseres rechtstreeks geraakt in een aan een fundamenteel recht ontleend belang. Niet valt in te zien hoe het recht op vrijheid van meningsuiting, als bedoeld in artikel 10 van het EVRM, in het gedrang komt, wanneer eiseres de mogelijkheid tot ontsluiting van speelfilms niet zal krijgen als gevolg van het besluit van verweerder. Het besluit leidt wellicht tot aantasting van de commerciële belangen van eiseres, maar heeft niet tot gevolg dat er een reële mogelijkheid bestaat van schending van het recht op vrije meningsuiting.”

Naar aanleiding van de stelling dat de NPO met haar besluit “onduidelijkheid creëert over de auteursrechtelijke positie van omroepen en speelfilmproducenten” en dat eiseres direct in een nadeliger positie komt dan dat zij zonder de overweging in het bestreden besluit ten aanzien van de speelfilms zou zijn geweest, oordeelt de rechtbank dat: “ter zitting duidelijk is geworden dat verweerder met de overweging over het beschikbaar stellen van bioscoopspeelfilms niet heeft bedoeld te stellen dat hij bevoegd is de licentiering te toetsen van speelfilms waarop de omroepen en verweerder geen on demand rechten hebben, zodat die overweging dus niet de door eiseres gevreesde rechtsgevolgen heeft.”

1.4.  Eiseres heeft, onder verwijzing naar het advies van de Geschillencommissie van 18 april 2011, in beroep gemotiveerd aangevoerd dat haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Verder heeft eiseres inhoudelijke gronden tegen het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, aangevoerd. Deze gronden komen er in de kern op neer dat de uitzondering die verweerder voor speelfilms heeft gemaakt, niet houdbaar is. Volgens eiseres heeft die rechtens onhoudbare uitzondering tot gevolg dat omroepen alleen onder bepaalde voorwaarden speelfilms ter beschikking mogen stellen aan eiseres. Hiermee creëert verweerder onduidelijkheid over de auteursrechtelijke positie van omroepen en speelfilmproducenten en komt eiseres direct in een nadeliger positie dan dat zij zonder de overweging in het bestreden besluit ten aanzien van de speelfilms zou zijn geweest. Verweerder zou het besluit in lijn met de eigendomsposities en de daar van afgeleide licentiemogelijkheden van de omroepen moeten brengen, aldus eiseres. Eiseres heeft toegelicht dat het daarbij niet gaat om telefilms (die in de melding onder de noemer ‘speelfilms’ worden genoemd), maar om bioscoopspeelfilms en de zogenaamde telescoopfilms, waarvan de on demand rechten geheel bij de speelfilmproducenten liggen.

(…) 3.1.3.  De rechtbank overweegt dat met de hiervoor genoemde toelichting van verweerder ter zitting duidelijk is geworden dat verweerder met de overweging over het beschikbaar stellen van bioscoopspeelfilms niet heeft bedoeld te stellen dat hij bevoegd is de licentiering te toetsen van speelfilms waarop de omroepen en verweerder geen on demand rechten hebben, zodat die overweging dus niet de door eiseres gevreesde rechtsgevolgen heeft. Nu de interpretatie van dit gedeelte van het bestreden besluit niet (langer) in geschil is, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep op dit punt. Dat de overweging in het primaire besluit over het beschikbaar stellen van bioscoopspeelfilms bij bijvoorbeeld filmproducenten of andere derden, zoals eiseres ter zitting heeft aangevoerd, voor onduidelijkheid kan zorgen en deze derden een groot belang hebben bij duidelijkheid, maakt dit niet anders, nu eiseres dit belang van die derden niet vertegenwoordigt. De rechtbank merkt daarbij op dat in de Beleidslijn nevenactiviteiten NPO 2009 wordt verwezen naar de toelichting van de wetgever op artikel 2.133 van de Mediawet 2008, waarin staat dat de goedkeuring van verweerder voor nevenactiviteiten is vereist, wanneer omroepen rechten op programma’s, namen en merken die voor de publieke kanalen zijn ontwikkeld, buiten het publieke bestel willen exploiteren. Ook hieruit vloeit de beperking van de toetsingsbevoegdheid van verweerder, conform de uitleg van verweerder, voort.

Lees het vonnis hier.