Haatzaaiende media-uitzendingen

Print pagina
Haatzaaiende media-uitzendingen

B9 11603. Mediarecht. Kamerstukken Tweede Kamer. Vaststelling van een nieuwe Mediawet.Verslag van een schriftelijk overleg inzake toezegging T00956.

De Mediawet 2008 bevat enkele tot dusver niet in werking getreden bepalingen over haatzaaien. De desbetreffende bepalingen verplichten de Minister c.q. het Commissariaat voor de Media een zendmachtiging te weigeren of in te trekken dan wel te verbieden een zendmachtiging te gebruiken dan wel te verbieden een zender via de kabel of de ether door te geven. Aanleiding hiertoe is strafrechtelijke veroordeling wegens artikel 137d Sr (aanzetten tot haat). In de onderhavige brief stelt minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart van OC&W dat  de desbetreffende bepalingen wat haar betreft kunnen vervallen.

“(…) Het bezwaar tegen de genoemde bepalingen is dat deze in het geval van uitzending van een haatzaaiend programma(onderdeel) een onevenredige sanctie behelzen. Los van de vraag naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de tv-zender of omroeporganisatie in dezen, zou deze constructie in veel gevallen strijd kunnen opleveren met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Daaraan dient juist in het geval van uitingsdelicten – die immers een aanzienlijke beperking opleveren van het recht op vrijheid van meningsuiting – zwaar te worden getoetst. Daarnaast is niet voorzien in een rechterlijke beslissing over toepassing van de sanctie van een zendverbod of intrekking van de zendmachtiging.

(…) Het gaat in casu om haatzaaiende media-uitzendingen, waarvoor de makers daarvan of verantwoordelijken daarvoor strafrechtelijk worden veroordeeld, en waarbij een ernstig gevaar op herhaling bestaat. In de uitzonderlijke gevallen waarin de hiervoor bedoelde bepalingen aan de orde zouden kunnen zijn, kan indien nodig het inmiddels in het Wetboek van Strafrecht opgenomen artikel 137h toegepast worden. Deze bepaling geeft de strafrechter de mogelijkheid om bij een veroordeling wegens het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld, tevens een tijdelijk beroepsverbod op te leggen indien hij dit met het oog op het voorkomen van herhaling nodig acht. In de, ik hecht eraan dit te benadrukken, voorlopig zuiver hypothetische gevallen waarin dit aan de orde zou zijn, leent de voorziening van artikel 137h Sr zich daarmee, anders dan de bepalingen uit de Mediawet 2008, tot doelgerichte toepassing. Daarbij staat rechterlijke toetsing van de noodzaak, effectiviteit, proportionaliteit en subsidiariteit, in alle gevallen voorop.

Het bovenstaande brengt mij tot de slotsom dat de desbetreffende niet in werking getreden bepalingen in de Mediawet 2008 kunnen vervallen. Het voornemen bestaat om dit onderwerp mee te nemen bij de eerstvolgende geschikte gelegenheid waarbij die wet wordt gewijzigd.”

Lees de gehele brief hier.