Heropening van het onderzoek

Print pagina

B9 11462. Rechtbank ’s-Gravenhage, sector bestuursrecht, zaaknrs AWB 10/7362 & zaaknummer : AWB 10/4769, Queensland/CSL  resp. Georgetown tegen Octrooicentrum Nederland.

Octrooirecht. ABC’s. Heropening van de onderzoeken ex artikel 8:68 Awb in verband met het stellen van prejudiciële vragen in de zaak The University of Queensland &  CSL Limited tegen Octrooicentrum Nederland (AWB 10/7362) en Georgetown University tegen Octrooicentrum Nederland (AWB 10/4769) naar aaleiding van de arresten C-322/10 (Medeva), C-422/10 (Georgetown University e.a.) en C-630/10 (Queensland) van het HvJ EU.

“Naar aanleiding van het Medeva-arrest (waaruit volgt dat een aanvrager zich voor een certificaataanvraag voor een enkele werkzame stof mag baseren op een handelsvergunning waarin deze stof in combinatie voorkomt) zijn partijen het erover eens dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering om een certificaat af te geven in dit geval kan worden gebaseerd op artikel 3, aanhef en onder b, van de Verordening. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, wegens strijd met artikel 3, aanhef en onder b, van de Verordening. Dit artikel kan de weigering tot afgifte van het certificaat immers niet dragen.

Nu het Hof van Justitie in de genoemde rechtsoverwegingen uitdrukkelijk heeft bepaald dat slechts één certificaat per basisoctrooi kan worden afgegeven, dient, naar mening van Vereerder, de afgifte van een certificaat thans te worden geweigerd op grond van artikel 3, aanhef en onder c, van de Verordening. 

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat het onderzoek te heropenen teneinde prejudiciële vragen van uitleg te stellen aan het Hof van Justitie. Van een acte clair is geen sprake. De zaak is niet zo duidelijk dat de rechtbank de voorliggende vraag met toepassing van het Unierecht zelf kan afdoen. De rechtbank bepaalt dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich schriftelijk uit te laten omtrent (de formulering van) de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen prejudiciële vragen.”

Concept prejudiciële vragen AWB 10/4769: en AWB 10/7362:

1) Verzet Verordening 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, meer in het bijzonder artikel 3, aanhef en onder c daarvan, zich ertegen dat, in de situatie dat in (de conclusies van) een basisoctrooi meerdere producten onder bescherming zijn gesteld, aan de houder van het basisoctrooi een certificaat wordt verleend voor ieder van de onder bescherming gestelde producten?

2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, kan een certificaat worden verleend voor een door een basisoctrooi beschermd product, indien reeds eerder voor een ander door hetzelfde basisoctrooi beschermd product een certificaat is afgegeven, maar van dit laatste certificaat door de aanvrager afstand wordt gedaan met het oogmerk een nieuw certificaat te kunnen verkrijgen op basis van hetzelfde basisoctrooi?

3) Indien het voor beantwoording van de vorige vraag relevant is of de afstand terugwerkende kracht heeft, wordt de vraag of afstand terugwerkende kracht heeft beheerst door artikel 14, aanhef en onder b, van de Verordening of door het nationale recht? Indien de vraag of afstand terugwerkende kracht heeft wordt beheerst door artikel 14, aanhef en onder b, van de Verordening, dient die bepaling zo te worden uitgelegd dat afstand terugwerkende kracht heeft?|

4) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, hoe dient artikel 3, aanhef en onder c, van de Verordening te worden uitgelegd in de situatie dat in (de conclusies van) een basisoctrooi meerdere producten onder bescherming zijn gesteld en op de aanvraagdatum van een certificaat voor één van de door het basisoctrooi beschermde producten (A), weliswaar nog geen certificaat was verkregen voor een ander product (B) beschermd door hetzelfde basisoctrooi, op die aanvrage voor product (B) een certificaat is afgegeven voordat op de aanvrage voor een certificaat voor het eerstgenoemde product (A) is beslist?

5) (Alleen AWB 10/7362): Is voor de beantwoording van de vorige vraag van belang of de aanvrage voor product (B) die reeds tot afgifte van een certificaat heeft geleid wat de indieningsdatum betreft later is gedaan dan de aanvrage voor het certificaat voor product (A) dat nog niet tot afgifte heeft geleid?