Het gevaar voor onverenigbare beslissingen volstaat

Print pagina

B9 11785. Rechtbank ’s-Gravenhage, 24 oktober 2012, HA ZA 11-2743, H&M B.V en H&M AB tegen G-Star Raw C.V. c.s.

“Juist ook in de situatie dat gedaagden wordt verweten tezamen door verhandeling van dezelfde producten inbreuk te maken op hetzelfde recht bestaat gevaar voor onverenigbare beslissingen als in dit artikel bedoeld.”

Merkenrecht. Vonnis in incident  na tussenvonnis in incident (B9 1145) in de bodemprocedure na Gerechtshof ’s-Gravenhage 5 juni 2012, B9 11312. In het kort geding oordeelde het hof dat G-Stars woordmerk RAW wel degelijk onderscheidend vermogen heeft en niet beschrijvend is voor kleding. Ook van verwording tot soortnaam was naar mening van het hof geen sprake.


In de onderhavige procedure zijn de inbreukvorderingen van G-Star in een verstekvonnis toegewezen, zij het beperkt tot Nederland. Met betrekking tot de gestelde inbreuk buiten Nederland is in het tussenvonnis vastgesteld dat aan H&M AB en H&M B.V. wordt verweten met verhandeling van dezelfde kleding inbreuk te maken op dezelfde Gemeenschapsmerken en is aangenomen dat daarom sprake is van een voor toepassing van artikel 6 lid 1 EEX-Vo noodzakelijke eenzelfde situatie feitelijk en rechtens.

De verdere beoordeling werd echter aangehouden om partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over het op het tijdstip van het tussenvonnis nog niet gewezen arrest Solvay-Honeywell van het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat uit dat arrest zou kunnen volgen dat voor toepassing van artikel 6 lid 1 EEX-Vo bovendien moet zijn voldaan aan de eis dat bij afzonderlijke berechting gevaar moet bestaan op rechtsgevolgen die elkaar uitsluiten. In het onderhavige vonnis wijst de rechtbank de incidentele vorderingen van H&M af.  Het arrest heeft geen ander licht geworpen op de overwegingen uit het tussenvonnis, zodat deze rechtbank zich mede bevoegd acht om kennis te nemen van de vorderingen tegen H&M AB voor zover deze zijn gebaseerd op inbreuk op de Gemeenschapsmerken buiten Nederland en op onrechtmatig handelen van H&M AB buiten Nederland.

2.5. Zoals G-Star terecht stelt is uit het arrest af te leiden dat voor toepassing van artikel 6 lid 1 EEX-Vo niet de eis wordt gesteld dat bij afzonderlijke berechting gevaar moet bestaan op rechtsgevolgen die elkaar uitsluiten. Voorts is niet in te zien dat het door H&M gesignaleerde verschil tussen de zaak Solvay – Honeywell en de onderhavige zaak voor toepassing van artikel 6 lid 1 EEX-Vo relevant zou zijn. Juist ook in de situatie dat gedaagden wordt verweten tezamen door verhandeling van dezelfde producten inbreuk te maken op hetzelfde recht bestaat gevaar voor onverenigbare beslissingen als in dit artikel bedoeld.

2.6. H&M wijst er terecht nog op dat artikel 6 lid 1 EEX-Vo niet mag worden toegepast met het enkele doel om een partij te onttrekken aan de rechter van zijn woonplaats, maar in deze procedure blijkt uit niets dat daarvan sprake is. Anders dan H&M kennelijk meent, kan dat niet al worden aangenomen op de grond dat zij de door G-Star gestelde verhandeling door H&M AB in samenwerking met H&M B.V. (en andere locale H&M vennootschappen) bestrijdt. Zoals in het tussenvonnis van 11 juli 2012 is overwogen, komt de beoordeling van dat verweer eerst in de hoofdzaak aan de orde.

2.7. H&M verzoekt de rechtbank voorts met verwijzing naar r.o. 30 van het arrest (“De nationale rechter dient bij de beoordeling of dat risico bestaat alle relevante gegevens van het dossier in de beschouwing betrekken”), alsmede met een verwijzing naar de literatuur (Verheul, Rechtsmacht in het Nederlands Internationaal Privaatrecht, Deel I, nr. 48) terug te komen op de verwerping in het tussenvonnis van het standpunt van H&M dat de rechtbank ter bepaling van de bevoegdheid zou dienen te onderzoeken of de door G-Star gestelde feiten juist zijn. Dit oordeel moet evenwel worden aangemerkt als een bindende eindbeslissing waarop de rechtbank in het onderhavige vonnis, behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen, niet terug kan komen, daargelaten of daartoe aanleiding zou zijn.

2.8. Een en ander leidt tot de conclusie dat het arrest geen ander licht heeft geworpen op de overwegingen uit het tussenvonnis van 11 juli 2012, zodat deze rechtbank zich mede bevoegd acht om kennis te nemen van de vorderingen tegen H&M AB voor zover deze zijn gebaseerd op inbreuk op de Gemeenschapsmerken buiten Nederland en op onrechtmatig handelen van H&M AB buiten Nederland.

Lees het vonnis hier.