In verregaande mate verknocht
Print pagina
B9 11539. Rechtbank ’s-Gravenhage, 25 juli 2012, HA ZA 11-2589, Pantofola D’oro Spa tegen Rucanor Europe BV. Merkenrecht. Auteursrecht. Bevoegdheidsincident. Pantofola ontwerpt en verhandelt sneakers, gekenmerkt door drie goud- of zilverkleurige drie-dimensionale sterren in een diagonale lijn op de zijkant van de sneaker en is houdster van een Benelux-vormmerk en een gedeponeerd, maar nog niet ingeschreven Gemeenschaps-vormmerk. Rucanor heeft oppositie ingesteld tegen de Benelux merkregistratie en het Gemeenschapsmerkdepot op grond van haar oudere Benelux- en Gemeenschapsmerken. Partijen hebben vervolgens een Settlement Agreement gesloten, op grond waarvan Pantofola onder bepaalde voorwaarden gebruik mocht maken van een logo bestaande uit twee strepen en drie sterren. In deze overeenkomst is bepaald dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is.
Net als in kort geding (Vzr Rb Den Haag, 30 maart 2011, IEPT20110330) vordert Pantofola in de hoofdzaak dat Rucanor zal worden verboden schoenen te produceren of verhandelen die inbreuk maken op haar auteursrecht en merkenrechten. Pantofola vordert tevens in het onderhavige incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart m.b.t. de reconventionele vorderingen van Rucanor en verwijst naar de exclusieve forumkeuze in de overeenkomst. Rucanor vordert in reconventie onder meer een verklaring voor recht dat de Settlement Agreement rechtsgeldig is ontbonden en dat Pantofola inbreuk maakt op haar Gemeenschapsmerk.
De rechtbank wijst de incidentele vorderingen van Pantofola af. Deze rechtbank is allereerst exclusief bevoegd voor wat betreft de vorderingen gegrond op het Gemeenschapsmerk. Ten aanzien van de reconventionele vordering tot verklaring voor het recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden en tot vergoeding van schade, is conform het forumkeuzebeding de rechtbank Amsterdam bevoegd.
In de situatie dat het merkenrechtelijk geschil bij rechtbank ’s-Gravenhage en het geschil voortvloeiende uit de overeenkomst bij rechtbank Amsterdam zou worden beslecht, kan echter het risico bestaan op tegenstrijdige beslissingen. Aanhouding door deze rechtbank totdat door rechtbank Amsterdam is beslist, zou betekenen dat deze procedure onredelijke vertraging oploopt. Die consequentie staat niet alleen op gespannen voet met artikel 6 EVRM en een goede proceseconomie, maar ook niet valt in te zien dat partijen – als zij dit ten tijde van het aangaan van de overeenkomst onder ogen hadden gezien – die consequentie zouden hebben gewild. Dit geldt eens te meer nu partijen hebben gekozen voor een andere overheidsrechter. In feite betreft het hier een onvoorziene omstandigheid, waarbij een redelijke en praktische uitleg leidt tot beslechting door deze rechtbank, nu deze bij uitsluiting bevoegd is voor een ander, maar in verregaande mate verknocht deel van het geschil.
Zouden de op de overeenkomst gebaseerde vorderingen afzonderlijk aanhangig gemaakt zijn bij de rechtbank Amsterdam, dan zou dat grond zijn voor verwijzing van die vorderingen naar de rechtbank ’s-Gravenhage wegens connexiteit op grond van artikel 220 lid 1 Rv. De rechtbank zal de vorderingen gegrond op de overeenkomst naar analogie daarvan derhalve aan zich houden. (r.o. 4.5)
Aan de vordering tot nietigverklaring van het Beneluxmerk wordt een Gemeenschapsmerk ten grondslag gelegd en deze rechtbank is aldus ook bevoegd van deze vordering kennis te nemen.
Lees het vonnis hier.

























