Mogelijkheden tot volledige proceskostenvergoeding in niet-IE-zaken

Print pagina

B9 11706. Gerechtshof ’s-Gravenhage, 2 oktober 2012, LJN: BX9065, [Naam] tegen Multilease B.V.

“Mogelijkheden tot volledige proceskostenvergoeding in niet-IE-zaken,” zo luidt de (gehele) samenvatting van dit arrest op rechtsraak.nl. Voor de geïnteresseerde proceskosten-liefhebber:

13. Bij een veroordeling in de proceskosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 237 Rv. is de rechter niet gehouden het liquidatietarief toe te passen. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte kosten behoort derhalve tot de mogelijkheden (vgl. voor verzoekschriftzaken HR 20 maart 2009, NJ 2009, 234). Het bepaalde in artikel 6:96 , lid 2, sub c BW speelt hierbij geen rol, nu daarin wordt voorzien in vergoeding van buitengerechtelijke kosten (vgl. ook artikel 241 Rv.). Voorts kunnen gemaakte kosten van rechtsbijstand onderwerp zijn van een zelfstandige vordering tot schadevergoeding in geval van al te lichtvaardig procederen. Een dergelijke vordering komt slechts voor toewijzing in aanmerking in geval de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. Daarvan is pas sprake wanneer het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, hetgeen zich voordoet als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende danwel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze kansloos waren (HR 29 juni 2007, NJ 2007, 353 en HR 6 april 2012, NJ 2012, 233).

Hoewel artikel 237 Rv. die eis niet stelt en het in dit geval niet gaat om het instellen van een vordering, maar het voeren van verweer, is het hof van oordeel dat bedoelde maatstaf ook toepassing kan vinden bij beantwoording van de vraag of er aanleiding is een procespartij in de werkelijk gemaakte proceskosten te veroordelen. Het hof is van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat het verweer van [appellant] zo evident kansloos was dat hij het niet op een procedure had mogen laten aankomen, respectievelijk van het voeren van verweer had moeten afzien. In dat verband neemt het hof in aanmerking dat, zoals ook uit het tussenvonnis van de kantonrechter blijkt, onder omstandigheden denkbaar is dat degene wiens - of ten behoeve van wie de handtekening wordt vervalst, toch aan de overeenkomst gebonden is. Ook voor degene die subsidiair wordt aangesproken, zoals in casu [appellant], kan het dan zinvol zijn de gebondenheid van degene die hij heeft willen binden te bepleiten. Voorts heeft [appellant] ook verweer gevoerd tegen de hoogte van de vordering. Ook daarvan kan niet worden gezegd dat het evident kansloos was. Het hof ziet derhalve, anders dan de kantonrechter, geen aanleiding [appellant] in de volledige proceskosten van Multilease te veroordelen. In zoverre slaagt de grief.

Lees het arrest hier.