Op de markt wordt regelmatig geruild

Print pagina

B9 11496. Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 23 juli 2012, KG ZA 12-633,Kao Corporation tegen [X], tevens h.o.d.n. [Y].

Merkenrecht. Van ruilen komt huilen. Eiseres, producente van o.a Guhl-shampoo constateert dat een partij counterfeit Guhl-producten via-via afkomstig is van gedaagde, een marktkoopman. Gedaagde tekent een onthoudingsverklaring, maar stelt, kort gezegd, niet te weten, en ook niet meer te kunnen achterhalen, wie zijn leveranciers waren:

“Ik sta op de Dappermarkt met een kraam en verkoop hier drogisterij artikelen. In maart 2011 heb ik met twee mannen die aan mijn kraam kwamen 6800 artikelen geruild. (…) De mannen verklaarde mij dat zij in Rotterdam en omgeving op de markt stonden. Ik was dus niet bang voor concurrentie. Ik had alle shampoo doorverkocht dus ik was niet meer in het bezit hiervan. (…) Ik heb de flessen bekeken voordat ik ze kocht en ze zagen er echt uit. Op de markt wordt er regelmatig geruild. Dit is omdat het goedkoper is om grote partijen te kopen en dan onderling te ruilen.”

Eiseres vordert i.c. een rechterlijk bevel om [X] te bewegen de gevraagde informatie alsnog te verschaffen, althans hem zal dwingen de nodige stappen te ondernemen om die informatie te achterhalen. De vordering wordt toegewezen, waarbij de dwangsom op €2000,- per dag wordt vastgesteld.

Gezien o.a. de omstandigheden van de transactie en de omvang van de partij, is het minst genomen twijfelachtig dat ieder spoor van de transactie ontbreekt in de administratie van gedaagde. Mocht  gedaagde bij zijn stelling (moeten) blijven en eiseres gaat over tot het executeren van dwangsommen, dan staat een beroep open op artikel 611d Rv en zal in een eventuele daarop volgende procedure moeten blijken van de onmogelijkheid van [X] om aan het bevel te voldoen.

4.7. Mede gelet op de omstandigheden waaronder de verhandeling van de inbreukmakende producten heeft plaatsgevonden, met name de aanzienlijke omvang van de verhandelde partij, en het – in weerwil van de wettelijke administratieplicht van [X] – ontbreken van ieder spoor van de transactie in de administratie van [X], volgt de voorzieningenrechter Kao in haar stelling dat aan de juistheid van de verklaring van [X] dat hij niet meer informatie heeft over zijn leveranciers, althans geen mogelijkheid heeft om meer informatie te achterhalen, minstgenomen getwijfeld kan worden. De voorzieningenrechter oordeelt dat, gelet op de gerede twijfel over de juistheid van de verklaring van [X], voorshands niet is uit te sluiten dat [X] niet alle hem bekende informatie over de herkomst van de inbreukmakende producten met Kao heeft gedeeld, bijvoorbeeld omdat hij vreest dat het delen van die informatie voor hem nadelige gevolgen zal kunnen hebben. Om die reden is voorshands voldoende aannemelijk dat Kao belang heeft bij het door haar gevorderde rechterlijk bevel op straffe van een dwangsom. Niet ondenkbaar is overigens dat [X] het standpunt zal blijven innemen dat hij –tevergeefs – al het mogelijke heeft gedaan om de verzochte informatie te achterhalen en hij dus onmogelijk aan het bevel zal kunnen voldoen. In dit laatste geval staat [X], mocht Kao op grond van de ook na het bevel volgehouden opstelling van [X] overgaan tot het executeren van dwangsommen, een beroep open op artikel 611d Rv en zal in een eventuele daarop volgende procedure moeten blijken van de onmogelijkheid van [X] om aan het bevel te voldoen.

Lees het vonnis hier.