Prejudiciële vraag over invoer in merkenrechtelijke zin

Print pagina

B9 11796. Gerechtshof ’s-Gravenhage, 30 oktober 2012, LJN: BY1494 ( twee gevoegde zaken) Top Logistics B.V. voorheen genaamd Mevi Internationaal Expeditiebedrijf B.V. tegen Bacardi & Company Limited.

“Hieruit valt af te leiden dat in het vrije verkeer brengen in douanetechnische zin niet zonder meer impliceert dat de goederen op de vrije markt – in de handel - worden gebracht.”

Merkenrecht. Parallelimport. Prejudiciële vraag over invoer in merkenrechtelijke zin. Hoger beroep tegen de deel/tussenvonnissen Rb Rotterdam, 19 november 2008, IEPT20081119 en Rb Rotterdam, 18 augustus 2010, IEPT20100818. Het geschil betreft de door Bacardi gelegde beslagen op gesteld inbreukmakende (maar wel echte) Bacardi-producten bij Mevi, een onderneming die zich bezighoudt met opslag en overslag. De flessen hebben deels een T1-status en zijn deels geplaatst onder accijnsschorsingsregeling. Een aantal flessen in gedecodeerd.

Volgens Bacardi betreft het Bacardi-producten die niet met haar toestemming in de EER zijn gebracht en om gedecodeerde flessen. De belangrijkste vraag in het geschil is de vraag wanneer goederen in merkenrechtelijke zin zijn ingevoerd, meer in het bijzonder of AGP-goederen zijn ingevoerd in merkenrechtelijke zin, waarvoor nodig is dat sprake is van gebruik in het economisch verkeer.

Voor de duidelijkheid: T1-goederen zijn, kort gezegd, niet-communautaire goederen die (in afwachting van doorvervoer) onder douanetoezicht blijven staan tot het ogenblik waarop zij een andere douanestatus krijgen en zijn noch aan invoerrechten noch aan handelspolitieke maatregelen onderworpen. AGP-goederen zijn goederen waarover invoerrechten zijn betaald en die douanetechnisch in het vrije verkeer zijn gebracht, maar vervolgens onder een accijnsschorsingsregeling zijn geplaatst om de betaling van de verschuldigde accijnzen uit te stellen. Zij mogen alleen worden opgeslagen in een accijnsgoederenplaats (een AGP) en moeten bij transport worden gedekt door een administratief geleidedocument (een AGD).

Het Hof Den Haag refereert aan het Class-arrest van Hof van Justitie (C-405/03), waarbij het HvJ  er vanuit gaat dat slechts sprake kan zijn van invoeren waartegen de merkhouder zich kan verzetten,  waarvoor nodig is dat daardoor sprake is van gebruik in het economisch verkeer, als er in douanetechnische zin sprake is van invoeren. Nu daarvan geen sprake is bij de beslagen T1-goederen kan niet worden aangenomen dat deze goederen in merkenrechtelijke zin zijn ingevoerd. Bij AGP-goederen, die niet langer de T1-status hebben, moet worden aangenomen dat deze goederen douanetechnisch zijn ingevoerd en geplaatst onder de douaneregeling vrij verkeer. De douanestatus staat er dan niet langer aan in de weg dat sprake kan zijn van invoer in merkenrechtelijke zin.

Maar, het hof is “enerzijds, met Bacardi, van oordeel dat AGP-goederen douanetechnisch zijn ingevoerd en geplaatst onder de douaneregeling vrij verkeer, zodat de douanestatus er niet langer aan in de weg staat dat sprake kan zijn van invoer in merkenrechtelijke zin. Nu de goederen zowel fysiek als douanetechnisch zijn ingevoerd, is verdedigbaar dat zij ook als ingevoerd in merkenrechtelijke zin moeten worden beschouwd. Het hof is anderzijds, met Mevi, van oordeel dat AGP-goederen, net als T1-goederen, niet in de handel kunnen worden gebracht dan nadat de (accijns)heffingen zijn betaald en daartoe strekkende formaliteiten zijn verricht. Niet betwist is dat AGP-goederen ook geëxporteerd kunnen worden onder een AGD naar een bestemming buiten de Europese Unie of de EER, zodat de AGP/AGD-status niet noodzakelijkerwijs impliceert dat zij in de Europese Unie in de handel zullen worden gebracht.

Hieruit valt af te leiden dat in het vrije verkeer brengen in douanetechnische zin niet zonder meer impliceert dat de goederen op de vrije markt, in de handel, worden gebracht. Op grond daarvan is verdedigbaar dat ook ten aanzien van AGP-goederen (nog) geen sprake is van invoer in merkenrechtelijke zin waartegen de merkhouder zich kan verzetten, waarvoor immers nodig is dat het merk wordt gebruikt in het economisch verkeer.”

Niet ondenkbaar is echter dat het wijzigen van een T1-status in een AGP-status impliceert, althans het vermoeden rechtvaardigt, dat de goederen toch in de Europese Unie in de handel zullen worden gebracht en het hof is daarom voornemens om (na raadpleging van partijen) een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU voor te leggen:

“Deze vraag betreft goederen die afkomstig zijn van buiten de EER en die, nadat zij (niet door of met toestemming van de merkhouder) zijn binnengebracht op het grondgebied van de EER, in een lidstaat van de Europese Unie zijn geplaatst onder de regeling extern douanevervoer of onder de regeling douane-entrepot (een en ander als bedoeld in Verordening (EG) nr. 450/2008).

Wanneer dergelijke goederen vervolgens worden geplaatst onder een accijnsschorsings-regeling moeten zij dan

i.   worden aangemerkt als ingevoerd, dan wel
ii.   worden aangemerkt als niet ingevoerd, dan wel
iii.  behoudens tegenbewijs worden vermoed in de EER te zijn (binnengebracht met als doel ze aldaar in de handel te brengen en derhalve) ingevoerd

in de zin van artikel 5, lid 3, sub c, van Richtlijn 89/104/EEG (thans Richtlijn 2008/95/EG), aldus dat sprake is van “gebruik (van het teken) in het economisch verkeer” dat door de merkhouder kan worden verboden op grond van artikel 5, lid 1, van genoemde richtlijnen?

Daarnaast oordeelt het hof m.b.t. de gestelde inbreuk op de Benelux-merken van Bacardi door het ‘invoeren, aanbieden, in de handel brengen of daartoe in voorraad hebben’, dat ten aanzien van de beslagen flessen met een T1-status geen sprake is van inbreukmakend handelen (noch van invoeren, noch van aanbieden, in de handel brengen of daartoe in voorraad hebben) en dat er dan ook onvoldoende reden is om Mevi op grond van het merkenrecht ten aanzien van deze flessen te bevelen informatie te verschaffen als door de rechtbank bevolen. “De enkele stelling dat flessen met aansluitende productcodes op de Europese markt zijn aangetroffen is – indien al juist – onvoldoende om anders te oordelen, nu het daarbij in ieder geval niet gaat om de beslagen flessen. Het bovenstaande geldt zowel voor niet gedecodeerde (van productcodes voorziene) flessen als voor gedecodeerde flessen.”

De door Bacardi gevorderde verplichting o.g.v. het merkenrecht en het gemene recht tot informatieverstrekking aangaande de flessen met een T1-staus wordt afgewezen.  Waar het de vordering tot afgifte van gedecodeerde flessen betreft, wordt de zaak aangehouden, om Bacardi in de gelegenheid te stellen om nader in te gaan op die vordering.

Lees het arrest hier.