Premier gezocht zonder strafblad
Print pagina
B9 11622. Vzr. Rechtbank ‘s-Gravenhage, 3 september 2012, KG ZA 12-904, [X] tegen Omroepvereniging VPRO (met dank aan Freek Stoové, ABC Legal). Mediarecht. Uitgesloten deelnemer. Eiser stelt dat de VPRO hem ten onrechte heeft uitgesloten van deelname aan het VPRO programma ‘Premier Gezocht’, nadat het de VPRO via de media bekend was geworden dat hij in 2006 is veroordeeld voor carjacking. Op het inschrijfformulier is niet gevraagd of de inschrijver een strafrechtelijk verleden of strafblad heeft en op die grond zou de VPRO hem daarom thans niet kunnen uitsluiten van deelname. Eiser stelt dat hij “door de uitsluiting ernstige reputatieschade heeft opgelopen die hem in zijn huidige en toekomstige maatschappelijke en politieke activiteiten vee! schade zal berokkenen. De bedoelde schade is nu al bijna niet meer te herstellen.”
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Nu het gaat om deelname aan een actueel en serieus politiek programma, had eiser mogen verwachten dat hij dit verleden op enig moment zou moeten (gaan) delen met de VPRO. Uit eerdere emails blijkt bovendien voldoende duidelijk dat er nog factoren waren die bij de deelname een rol konden spelen en dat er nog verdere informatie zou worden verstrekt. Dat voorbehoud was ook al gemaakt in de door [X] reeds getekende Quitclaim en dat [X] al onvoorwaardelijk als deelnemer van het programma was toegelaten is daarom niet aannemelijk geworden.
4.4. Vooropgesteld wordt dat het in deze procedure gaat om deelname aan een actueel en serieus politiek programma dat is gericht op een zoektocht onder jongeren naar de toekomstige premier van Nederland. Overwogen wordt dat in dit kader van belang is dat het doen en Iaten van politici onder een vergrootglas ligt en (strafrechtelijke) misstappen van politici breed worden uitgemeten in de media. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hoewel begrijpelijk is dat [X] niet genegen was om zijn strafrechtelijk verleden in de selectieprocedure ter sprake te brengen, hij gelet op voornoemde aard van het programma wel had mogen verwachten dat hij dit verleden- ook al stamt zijn veroordeling uit 2006- op enig moment zou moeten (gaan) delen met de VPRO. Het hiervoor bedoelde moment diende zich naar voorlopig oordeel in ieder geval aan op 2 augustus 2012 toen de VPRO aan per e-mailbericht had meegedeeld dat hij als kandidaat zou mogen deelnemen aan het programma. In een volgend e-mailbericht van diezelfde dag heeft de VPRO bericht dat die deelname gepaard zou gaan met ondertekening van de Quitclaim, waardoor [X] onder meer zou verklaren dat hij geen strafblad heeft.
Op dat moment wist [ X] althans had hij behoren te weten, dat hij - gelet op zijn strafrechtelijk verleden- niet zou kunnen voldoen aan de verdere door de VPRO gestelde voorwaarden voor deelname. Het lag daarom op zijn weg om daarover contact op te nemen met de VPRO hetgeen hij echter heeft nagelaten. ' [X] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat zijn deelname aan het programma door het e-mailbericht van 2 augustus 2012 van 10:01 uur inmiddels (onvoorwaardelijk) vaststond. Uit dit e-mailbericht blijkt voldoende duidelijk dat er nog factoren zijn die bij de deelname een rol spelen en date r nog verdere informatie zal worden verstrekt. Dat voorbehoud was ook al gemaakt in de door [X] reeds getekende Quitclaim (zie onder 2.6). Dat [X] door laatstgenoemd e-mailbericht onvoorwaardelijk als deelnemer van het programma was toegelaten is daarom niet aannemelijk geworden.
4.5. Vaststaat verder dat [X] op 3 augustus 2012 via de sociale media heeft bericht dat hij deel zou gaan nemen aan het programma. Naar aanleiding van die berichtgeving heeft een journalist van het dagblad BN de Stem op 3 augustus 2012 een e-mailbericht aan de VPRO gezonden waarin zij op de hoogte werd gesteld van het strafblad van [X]. De VPRO heeft (onweersproken) betoogd dat door deze gang van zaken een vertrouwensbreuk tussen haar en [X] is ontstaan. Gelet op de hiervoor en in het bijzonder onder 4.4 weergegeven handelwijze van [X] kon de VPRO op dat moment zijn verdere deelname aan het programma beëindigen en was zij niet gehouden verder met [X] in onderhandeling te gaan over de voorwaarden voor zijn deelname. Ten slotte wordt in dit kader nog overwogen dat het niet ongebruikelijk is dat voor het bekleden van of voor de deelname aan bepaalde functies naar het bestaan van een eventueel strafblad wordt geïnformeerd. [X] heeft in ieder geval onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de VPRO ten behoeve van de deelname aan het programma, gelet op de aard en het karakter daarvan, de daarbij betrokken juryleden en de publiciteit die het programma heeft, niet mocht vragen naar een eventueel strafrechtelijk verleden van de potentiele kandidaten.
Lees het vonnis hier.

























