Uit de bestelling volgt niet zonder meer de instemming met de invoer

Print pagina

B9 11396. Rechtbank ’s-Gravenhage, 27 juni 2012, HA ZA 08-3222, A. tegen B.

“Dat de getuigen ook verklaren dat de Kamal-producten door A waren besteld en voor A waren bestemd, en dat X heeft gekozen voor levering via B om er zeker van te zijn dat hij werd betaald, (…) laat onverlet dat de producten zijn geleverd via B en dat B de producten dus heeft ingevoerd.”

Merkenrecht. Eindvonnis in een wat merkwaardige casus. In het tussenvonnis (Rb Den Haag 2 februari 2011, IEPT20110202) heeft de rechtbank voorshands aangenomen dat B producten voorzien van het Kamal-merk van A heeft ingevoerd en heeft de rechtbank B toegestaan tegenbewijs te leveren. B is echter niet geslaagd in het van het tegenbewijs en het gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen:

2.4/2.5. De door B naar voren gebrachte getuigen bevestigen namelijk juist dat B die producten heeft ingevoerd. (…)  Dat de getuigen ook verklaren dat de Kamal-producten door A waren besteld en voor A waren bestemd, en dat X heeft gekozen voor levering via B om er zeker van te zijn dat hij werd betaald, kan niet leiden tot een ander oordeel over het bewijs. De omstandigheden die de getuigen noemen, laten immers onverlet dat de producten zijn geleverd via B en dat B de producten dus heeft ingevoerd.

2.6 B heeft niet uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat de uit de getuigenverklaringen blijkende omstandigheid dat de producten door A waren besteld en voor A waren bestemd, meebrengt dat aangenomen moet worden dat de producten met toestemming van A zijn ingevoerd en dat daarom geen sprake is van inbreuk. De bedoelde toestemming kan in dit geval ook niet op grond van enkel die omstandigheid worden aangenomen. Mede gelet op het feit dat B zelf heeft aangevoerd dat A voorheen de bestelde Kamal-producten altijd rechtstreeks geleverd kreeg, volgt uit de bestelling door A namelijk niet zonder meer dat A heeft ingestemd met invoer door B.” (2.4/2.6)

2.7. Andere inbreuken dan de voornoemde invoer zijn niet komen vast te staan. Wat betreft de invoer is niet in geschil dat de volledige zending met Kamal-producten is afgegeven aan A. Onder die omstandigheden valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat A door inbreuken van B winst heeft gederfd, dat B door inbreuken winst heeft genoten en dat door inbreuken van B de exclusiviteit of reputatie van het Kamal-merk is aangetast. De op die gronden gevorderde schadevergoeding en winstafdracht moeten daarom worden afgewezen. Dat brengt mee dat er ook geen grond bestaat voor een bevel tot het afleggen van rekening en verantwoording over de door B genoten winst. Er bestaat evenmin grond voor een bevel tot het verstrekken van informatie over de herkomst en distributiekanalen, gelet op het feit dat al duidelijk is van wie B de zending met inbreukmakende producten heeft gekregen en dat B al die producten heeft afgegeven aan A. Om dezelfde redenen moet de gevorderde recall en afgifte ter vernietiging worden afgewezen.

2.9. Gelet op het feit dat alleen een beperkte inbreuk is komen vast te staan en dat alle nevenvorderingen worden afgewezen, moet worden geconcludeerd dat beide partijen op punten in het ongelijk zijn gesteld. Daarom zullen de door beide partijen op grond van artikel 1019h Rv gevorderde kosten, waaronder mede begrepen de door A gevorderde buitengerechtelijke kosten, in die zin worden gecompenseerd dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Lees het vonnis hier.