Zelfs bij het gemis van een moreel bestanddeel omtrent de vermeende inbreuk

Print pagina

B9 11750. Vzr. Rechtbank van Koophandel Brussel, 26 september 2012, A.R. 2011/264, Red Bull GmbH tegen NV Koning (met dank aan Paul Maeyaert en Jeroen Muyldermans, Altius).

“Het betreft een autonome rechtsvordering die kan worden ingesteld tegen de tussenpersoon ook wanneer deze schuldig noch aansprakelijk is voor de inbreuk.”

Merkenrecht. Tussenpersoon. Afvullen. Zoals de inzendende  advocaat bericht: “Nadat de Voorzitter in een eerder tussenvonnis in 2011 reeds de uitvoer uit de Benelux van het blikje BULLET had verboden, geldt hetzelfde nu ook voor het louter afvullen van het blik in de Benelux.” De zaak werd bij het tussenvonnis aangehouden in afwachting van het arrest van het HvJ Eu in de zaak Red Bull/Winters (C-119/10).

De vordering Red Bull met betrekking tot het afvullen stoelt i.c. enerzijds op het merkenrecht, artikel 2.20.1 BVIE, en anderzijds op de diensten die als tussenpersoon werden aangeboden in de zin van artikel 2.22.6 BVIE.  De ruime interpretatie van het begrip ‘tussenpersoon’ in de handhavingsrichtlijn ('wiens diensten door een derde worden gebruikt om op een recht van intellectuele eigendom inbreuk te maken', of als de persoon die 'op commerciële schaal diensten die bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt, blijkt te verlenen'), brengt, naar oordeel van de rechtbank, met zich mee dat een stakingsbevel kan worden uitgevaardigd tegen tussenpersonen zelfs indien zij zelf geen merkinbreuk plegen en/of zelfs geen teken in het economisch verkeer gebruiken, “evenals bij het gemis van een moreel bestanddeel omtrent de vermeende inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van de rechthebbende.” “Het betreft een autonome rechtsvordering die kan worden ingesteld tegen de tussenpersoon ook wanneer deze schuldig noch aansprakelijk is voor de inbreuk.”

Naar het oordeel van de rechtbank vervult verwerende partij in het onderhavige geschil als afvuller van de inbreukmakende waren echter ook nog een belangrijke rol bij de uitvoer van deze waren uit de Benelux door derden en het in het verkeer brengen ervan door derden in het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank besliste in het genoemde  tussenvonnis al dat de uitvoer van het BULLET blikje een merkinbreuk uitmaakt en i.c. oordeelt de rechtbank dat “het afvullen een onontbeerlijke vereiste is voor de latere inbreuk op het Benelux Bullet Merk in de zin van artikel 5.1.b van de Merkenrichtlijn, dit ofwel door de uitvoer of door de latere verkoop van de afgewerkte blikje.” De voorwaarden van artikel 2.22.6 BVIE zijn daardoor vervuld en de vordering wordt toegewezen.

Lees het vonnis hier en het tussenvonnis hier.