Praktijkgebied IE |
Dossiers |
IE Agenda |
|
Rechtbank Zwolle-Lelystad, 1 september 2010, HA ZA 10-701, JunkTrunk Nederland tegen Wehkamp B.V. (met dank aan Lars Bakers & Charlotte Vrendenbarg, Bingh Advocaten).
Modellenrecht. Auteursrecht. Bevoegdheidsincident m.b.t. gestelde inbreuk op Gemeenschapmodel speelmeubelset. Rechtbank ’s-Gravenhage is bij uitsluiting bevoegd, Andere ten grondslag gelegde gronden doen daar niet aan af.
2.4. Vast staat dat de vorderingen van P. mede gebaseerd zijn op een inbreuk op een gemeenschapsmodel zodat de rechtbank te 's-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen. Dat P. aan de vorderingen ook andere gronden ten grondslag heeft gelegd maakt niet dat de rechtbank Zwolle-Lelystad alsnog bevoegd is over de aan de vorderingen ten grondslag gelegde inbreuk op het modelrecht te oordelen. Dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad ingevolge artikel 90 van de Verordening in geval van een voorlopige of beschermende maatregel wel bevoegd zou zijn van het geschil kennis te nemen doet - wat daar verder ook van zij - aan het voorgaande niet af. Het betreft hier immers geen procedure inzake een voorlopige of beschermende maatregel maar een bodemprocedure.
Lees het vonnis hier.
Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, ex parte beschikking van 11 juni 2010, KG RK 10-1501, The Bacup Shoe Company Ltd tegen Shoe Market B.V.
Modellenrecht. Ex parte beschikking. Inbreuk op Gemeenschapsmodel m.b.t. een opvouwbare damesschoen. Verzoek toegewezen. Geen recall en rectificatie.
2.2. De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat de door gerekwestreerde aangeboden schoenen bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekken dan het Gemeenschapsmodel van verzoekster. De voorzieningenrechter ziet derhalve voldoende aanleiding voor toewijzing van het verzoek voor zover het een verbod op modelinbreuk betreft, met beperkingen als hierna aangegeven. Verzoekster heeft geen belang daarnaast ook een verbod op inbreuk op het auteursrecht te verkrijgen.
Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 7 juli 2010, KG ZA 10-648, Bayerische Motoren Werke AG & Rolls Royce Motor Cars Ltd tegen ABC Specials B.V. (met dank aan Charlotte Vrendenbarg & Lars Bakers, Bingh Advocaten).
Merkenrecht. Modellenrecht. Eisers BMW en Rolls Royce maken bezwaar tegen de verhuur door gedaagde van een met originele (en eveneens als merk of model geregistreerde) Rolls Royceonderdelen aangepaste (en na sommatie nog nader aangepaste) Chrysler. Vorderingen afgewezen. “De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat sprake is van volstrekt onvergelijkbare automobielen en dat het ondenkbaar lijkt dat het geïnformeerde publiek bij beschouwing van de Limousine zal menen met een "Rolls Royce" van doen te hebben.”
Merkenrecht: 4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het meest in het oog springende gemeenschappelijke kenmerk van de drie Grille merken is dat de omtreksvorm wordt ingevuld door uitsluitend verticale spijlen of lamellen. De door ABC gebruikte grille heeft - na de wijzigingen die ABC naar aanleiding van de sommatie heeft aangebracht - een rooster waarvan juist de horizontale elementen dominant zijn. Daarbij komt wat het 1928 Grille merk en het 1971 Grille merk betreft nog dat de hoogte - breedte verhoudingen van de ABC grille anders zijn dan die beide merken. Van het 2003 Grille merk wijkt de ABC grille bovendien af, bij nauwkeurige beschouwing, doordat het een zichtbare deelnaad heeft die in het merk niet is terg te vinden.
Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 1 juli 2010, KG ZA 10-720, [O] tegen Dutch-Nut-Group B.V. & Faerch Plast A/S
Modellenrecht. Notendispenser. Eiser is voormalig directeur van gedaagde DNG. Beide partijen hebben een modeldepot verricht. Kern van dit geschil is gelegen in de vraag wie rechthebbende is ten aanzien van het Gemeenschapsmodelrecht op de notendispenser. Eiser [O] meent dat het recht hem toekomt als ontwerper van het model. DNG ontkent niet dat het idee voor de notendispenser oorspronkelijk van [O] afkomstig is geweest, doch stelt dat [O] de notendispenser heeft ontworpen uit hoofde van zijn functie bij DNG.
Aan de behandeling van die stellingen komt de voorzieningenrechter echter niet toe. Nu DNG het depot twee maanden eerder heeft gedeponeerd dan eiser [O] is DNG in staat de nietigheid van het depot van [O] in te roepen, aangezien dat op het moment van depot evident niet nieuw meer was. De inbreukvorderingen van [O] worden derhalve afgewezen. Onbetwiste 1019h proceskosten: €24.662,89.
4.6. Dit betoog wordt naar voorlopig oordeel gegrond geoordeeld. Een model wordt op grond van artikel 5 lid 1 sub b GModVo als nieuw beschouwd, indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór de datum van de indiening van de aanvrage om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd. Uit het hiervoor in r.o. 2.5. weergegeven door Faerch ingeschreven gemeenschapsmodel blijkt dat dit model en het model van [O] evident identiek zijn. Vergelijking van de modellen zoals ingeschreven leert dat onmiddellijk. Het model van Faerch is eerder gedeponeerd dan dat van [O], zodat dit laatste model nieuwheid ontbeert. Onder die omstandigheden is er naar voorlopig oordeel van uit te gaan dat er een gerede kans is dat het gemeenschapsmodel van [O] in de bodemprocedure zal worden vernietigd.
Lees het vonis hier.
Gerecht EU, 22 juni 2010, zaak T-153/08, Shenzhen Taiden Industrial Co. Ltd tegen OHIM / Bosch Security Systems BV
Modellenrecht. Nietigheidsprocedure tegen ingeschreven gemeenschapsmodel dat communicatie-apparatuur weergeeft. Betrekkelijk grote mate van vrijheid van de ontwerper. Geen andere algemene indruk dan ouder internationaal model van Bosch. Geen eigen karakter
70. (…) het enige verschil tussen de twee betrokken modellen dat een zeker belang kan hebben, [heeft] betrekking op de klep van de scharnierende luidspreker, aangezien deze in het oudere model niet is voorzien van een gestileerde versiering, die wel aanwezig is in het litigieuze model.
71. Dit verschil is evenwel niet bijzonder uitgesproken, aangezien de kleppen van de twee modellen oneffen zijn en de versiering van het litigieuze model sterk gestileerd is.
Rechtbank Rotterdam, KG ZA 10-466, Hans Textiel B.V. tegen Bonnie Doon Europe B.V. (met dank aan Marion Tapper en Lars Bakers, Bingh)
Modellenrecht, althans executiegeschil na Rechtbank ’s-Gravenhage, 17 januari 2010, B9 8603 (inbreuk op model ‘legging shorts’). Geen accountanstverklaring. Dwangsommen verbeurd. Geen 1019h proceskostenveroordeling, nu “dit geding louter ziet op een executiegeschil met betrekking tot het verbeuren van dwangsommen.”
4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de goedkeurende verklaring waarop de veroordeling onder 5.2 van het dictum ziet, door Hans Textiel niet aan Bonnie Doon is overgelegd. (…) De door Bonnie Doon aangewezen accountant heeft zich immers tijdig (…) aan Bonnie Doon kenbaar gemaakt (…). Hans Textiel is hier - buiten het aanvechten van het door de accountant verzochte voorschot - niet verder op ingegaan. Het door de accountant verzochte voorschot ad € 15.000,00, dat bovendien nog tot € 7.500,00 naar beneden toe is bijgesteld, komt de voorzieningenrechter overigens voorshands niet onredelijk voor. Naar voorlopig oordeel maakt Bonnie Doon dan ook geen misbruik van recht, dan wel is er sprake van onrechtmatig handelen zijdens Bonnie Doon jegens Hans Textiel, indien zij - gelet op 5.2 juncto 5.4 van het vonnis - overgaat tot het innen van de dwangsommen. Het doel en de strekking van de onder 5.2 gegeven veroordeling is er immers mede op gericht om een dispuut tussen partijen over het al dan niet volledig verstrekken door Hans Textiel aan Bonnie Doon van de onder 5.2 genoemde bescheiden te voorkomen. (…)
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 18 mei 2010, KG ZA 08-885, Bayerische Motoren Werke (BMW) tegen Inter-Tyre Holland B.V. (met dank aan Charles Gielen, NautaDutilh).
Modellenrecht. Merkenrecht. Hoger beroep in autovelgen-zaak (zie vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 7 oktober 2008, B9 7140). Model voldoende duidelijk, gestelde nietigheid onvoldoende onderbouwd. Algemeen (geclausuleerd) inbreukverbod modellen. Geen merkinbreuk: toegestaan gebruik woordmerk BMW. Wel spoedeisend belang bij nevenvorderingen.
Merkgebruik: 13. (…) “Nodig” betekent dat het desbetreffende gebruik in de praktijk het enige middel is om het publiek begrijpelijke en volledige informatie te geven over de bestemming. Voorts dient het gebruik te geschieden volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel, hetgeen voor de gebruiker een loyaliteitsverplichting tegenover de legitieme belangen van de merkhouder meebrengt (…).
14. (…) Het hof is – anders dan de rechtbank – voorshands van oordeel dat hier sprake is van toegestaan merkgebruik. Om passende velgen aan te bieden, dient het automerk (evenals het model, type en bandenmaat van de desbetreffende auto en (soms) het bouwjaar) te worden vermeld. (…)Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat er in redelijkheid een andere manier is om aan te geven welke aangeboden velgen op welke auto passen. De aanduiding DUITS is ontoereikend, daar er, naar algemeen bekend is, meerdere Duitse automerken zijn. (…) Voormeld omschreven gebruik van het merk BMW is duidelijk bedoeld om de auto aan te geven waarvoor een velg wordt gezocht. (…) .
Algemeen verbod (modelinbreuk): 19. Voor de toewijsbaarheid van een algemeen verbod met dwangsom geldt een drieledige maatstaf:
1. er moet, mede gelet op alle bijzonderheden van het geval, voldoende grond bestaan om te vrezen dat ook op andere modellen inbreuk zal worden plaatsvinden/ er moet vrees voor herhaling zijn;
2. het verbod moet met het oog op executiegeschillen voldoende houvast bieden om te kunne beoordelen welke gedragingen al dan niet verboden zij.
3. een dergelijk verbod moet bij afweging van eblagen van beide partijen passend en geboden zijn. (vergelijk HR 1 december 1995, NJ 1996, 510).
Gerecht EU, 12 mei 2010, T-148/08, Beifa Group Co. Ltd tegen OHIM / Schwan-Stabilo Schwanhaüßer GmbH & Co
Gemeenschapsmodel. Merkenrecht. Nietigheidsprocedure tegen ingeschreven gemeenschapsmodel ‘dat schrijfinstrument weergeeft’ o.g.v. ouder nationaal beeldmerk (De ‘Stabilo-marker’, zie ook tussen dezelfde partijen: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 20 april 2010, B9 8811). Gerecht vernietigt de beslissing toto nietigverklaring van het OHIM wegens procedurefouten, onder andere met betrekking tot de verschillende dimensies.
114. Aangezien de beslissing van de nietigheidsafdeling geen enkele verduidelijking bevat, kan de verwijzing in diezelfde beslissing naar de „driedimensionale vorm” van het oudere merk – die op het eerste gezicht paradoxaal is daar het een beeldmerk betreft – enkel tot de conclusie leiden dat de nietigheidsafdeling zich niet heeft gebaseerd op een vergelijking tussen het litigieuze model en het oudere merk, maar is overgegaan tot een vergelijking tussen dat model en een driedimensionaal merk dat in haar beslissing niet wordt aangeduid.
(…) 116. Deze vergissing van de nietigheidsafdeling werd geenszins rechtgezet door de kamer van beroep. Zoals reeds werd opgemerkt, heeft de kamer van beroep in punt 17 van de bestreden beslissing zich beperkt tot het overnemen van de kenmerken die door de nietigheidsafdeling aan het oudere merk waren toegeschreven, zonder erop te wijzen dat de nietigheidsafdeling per vergissing had verwezen naar een driedimensionaal merk in plaats van naar het oudere merk en dat dezelfde kenmerken ook aanwezig waren in het oudere merk.
117. Aangezien de kamer van beroep in de bestreden beslissing haar conclusie inzake het bestaan van gevaar voor verwarring van het litigieuze model met het oudere merk heeft gebaseerd op de vergelijking van dat model met een ander teken dan het oudere merk, heeft zij derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en moet de bestreden beslissing worden vernietigd.
Lees het arrest hier.
Rechtbank ’s-Gravenhage, 28 april 2010, HA ZA 09-3834, Ocean Quay Ltd c.s. tegen Trendhopper Holding B.V. (met dank aan Leonie Kroon, DLA Piper)
Modellenrecht. Gemeenschapsmodel 'luxe badhanddoek'. Vonnis in incident. Zekerheid. Geen zekerheidstelling omdat er twijfel zou zijn aan het al dan niet bestaan van een partij, aangezien een kostenveroordeling in een dergelijk geval kan worden toegewezen ten laste van de advocaat. In casu echter wel zekerheid o.g.v. ‘gebruikelijke’ artikel 224 lid 1 Rv (vestiging in buitenland). € 25.000.
4.2. De rechtbank stelt voorop dat, voor zover de incidentele vordering tot zekerheidsstelling is gebaseerd op de omstandigheid dat twijfel bestaat over de vraag of Ocean Quay een al dan niet bestaande partij is, artikel 245 Rv waarborgt dat in het voorkomende geval een kostenveroordeling kan worden toegewezen ten laste van de advocaat van Ocean Quay. De door Trendhopper aangevoerde twijfel - die mogelijk door de correctie van de woonplaats in de conclusie van antwoord in het incident door Ocean Quay is weggenomen - is dan ook onvoldoende aanleiding om Ocean Quay te bevelen zekerheid te stellen.
4.3. Niettemin is er reden het gevorderde toe te wijzen. Omdat Ocean Quay niet in Nederland is gevestigd, heeft zij gezien artikel 224 lid 1 Rv in beginsel de verplichting zekerheid te stellen. Op grond van artikel 224 lid 2 Rv bestaat een verplichting tot het stellen van zekerheid niet, als sprake is van een van de in deze bepaling genoemde omstandigheden. Nu Ocean Quay naar eigen zeggen is gevestigd op de British Virgin Islands, voor welk land de uitzondering van artikel 224 lid 2 onder a Rv niet geldt, en Ocean Quay zich ook overigens niet beroept op (een van) de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen, is zij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten zoals gevorderd.
Vzr. Rechtbank Amsterdam, ex parte beschikking van 22 maart 2010, KG RK 10-10-1186, Betafence Deutschland Gmbh tegen C.M. Road Safety Industrial Co.
Modellenrecht. Gemeenschapsmodel wegversperring. Inbreuk, verlof tot repeterend beslag tot afgifte gedurende beurs in de RAI en monsterneming. Geen verlof tot bewijsbeslag. (plaatsvervangend vzr. mr. Chr.A.J.F.M. Hensen).
2.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de stelling van Betafence dat CM inbreuk maakt of dreigt te maken op haar modelrechten voorshands voldoende gesubstantieerd voor toewijzing van maatregelen tot conservatoir beslag tot afgifte en tot monsterneming op de wijze als hierna verwoord. (…).
2.4. Het in het verzoekschrift onder (i) opgenomen verzoek repeterend beslag te mogen leggen op de in het verzoekschrift onder 5 omschreven producten en op reclamemateriaal zal worden toegestaan tot en met 26 maart 2010, nu immers niet kan worden uitgesloten dat verdere inbreukmakende producten zullen worden aangeboden. Het verlof tot monsterneming zal eveneens worden toegewezen. Tenslotte zal bepaald worden dat de beslagen zaken en de monsters in bewaring worden afgegeven aan het te Hoofddorp gevestigde bedrijf Credit Dienstverlening Hoofddorp en dat de monsters slechts met toestemming van gerekwestreerde of nadat de rechter daartoe heeft beslist ter beschikking mogen worden gesteld aan verzoekster.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 6 april 2010, zaaknr. HD 200.025.612, Van Loon-Sealsin B.V. tegen Riho International B.V. (met gelijktijdige dank aan Wim Maas, Banning & Adonna Alkema, Klos Morel Vos & Schaap).
Bodem in badenzaak (zie voor eerste instantie: Rechtbank Breda, 16 juli 2008, B9 6496). Contractueel IE-recht. Auteursrecht, modellenrecht en/of slaafse nabootsing komen niet (meer) direct ter sprake. Geschil draait om de woorden ‘duidelijk verschil’ in de onthoudingsverklaring. Mooi samengevat door het hof zelf : “In dit geval gaat het om het begrippenpaar "duidelijk verschil". Anders dan het woord "duidelijk" suggereert, is daarmee niet aanstonds duidelijk wat met "duidelijk verschil" wordt bedoeld.”
De rechtbank oordeelde in haar vonnis dat voor alle drie de baden gold dat er
een voldoende "duidelijk verschil" was zodat Riho niet in strijd had gehandeld met de onthoudingsverklaring. Het hof wijkt gedeeltelijk af van dit oordeel. In citaten:
4.3.6. In dit geval gaat het om het begrippenpaar "duidelijk verschil". Anders dan het woord "duidelijk" suggereert, is daarmee niet aanstonds duidelijk wat met "duidelijk verschil" wordt bedoeld.
4.3.7. Naar 's hofs oordeel kan daarbij niet worden geabstraheerd van de markt waarom het gaat. Het aantal basisvormen voor ligbaden is beperkt. Binnen die grondvormen is het aantal variaties, gelet op de functionele en technische vereisten, uiteindelijk eveneens beperkt. De door de partijen overgelegde brochures (ook van andere merken) wijzen daar ook op. Naarmate de variatiemogelijkheden geringer zijn, zal ook eerder een bepaald verschil als een "duidelijk verschil" worden aangemerkt.
(…)
4.5.2. Bedoeld begrippenkader ("onvolkomen herinneringsbeeld") is ontleend aan de IE-praktijk. Dat is echter niet direct van toepassing, omdat de onthoudingsverklaring weliswaar haar oorsprong vond in een auteursrechtelijk dispuut, doch de thans aan de orde zijnde vraag- namelijk of is gehandeld in strijd met de onthoudingsverklaring- op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Het gaat om het begrip "duidelijk verschil". Dat heeft het hof te toetsen, en dat kan het hof toetsen door de baden naast elkaar te bekijken. Of afnemers door een onvolledig herinneringsbeeld in verwarring zouden kunnen komen is voor de vraag of er voldoende duidelijk verschil was in de zin van de onthoudingsverklaring niet van doorslaggevende betekenis.
Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 19 maart 2010, KG ZA 10-234, Burg Realisation c.s. tegen Vis (met dank aan Hemke de Weijs, Nysingh)
Nog even heel kort voor het weekend. Modellenrecht (geldig ongeregistreerd Gemeenschapsmodel) Stukgelopen samenwerking m.b.t. De Burg Watchphone, een te customizen telefoonhorloge. Vorderingen toegewezen.
4.15. Voor zover Vis c.s. heeft bedoeld te stellen dat het C. door Van den B. c.s. is toegestaan nog een kleine partij zwarte en witte oorspronkelijke Burg Watchphones uit te verkopen, geldt dat dit haar, althans Vis c.s., niet het recht geeft de vormgeving van die producten aldus te wijzigen dat in plaats van het teken BURG op de wijzerplaat het logo van Dutch Q wordt geplaatst en bedoelde producten als Dutch Q horloges, ook in andere kleuren (vgl. r.o. 2.1 3. m 2.14), ter verkoop aan te bieden.
Lees het vonnis hier.
Gerecht EU, 18 maart 2010, zaak T-9/07, Grupo Promer Mon Graphic, SA tegen OHIM / PepsiCo, Inc
Modellenrecht. Eerste beroepszaak gemeenschapsmodellen. Nietigheidsprocedure tegen ingeschreven gemeenschapsmodel dat cirkelvormige reclamedrager weergeeft “reclamedrager voor spellen” o.g.v. ouder gemeenschapsmodel “metalen schijfje voor spellen”. Anders dan OHIM concludeert het Gerecht dat, ondanks de beperkte vrijheid van de ontwerper, de modellen geen andere algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker (kinderen van 5 à 10 jaar of een marketingdirecteur). Begrip ‚strijdigheid’. Geïnformeerde gebruiker. Mate van vrijheid van ontwerper.
Strijdigheid: 48. Aangezien het begrip „strijdig” in verordening nr. 6/2002 als zodanig niet is gedefinieerd, dient het te worden verduidelijkt. In de punten 14 en 15 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep – evenals de nietigheidsafdeling – geoordeeld dat sprake is van strijdigheid tussen twee modellen wanneer zij eenzelfde algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker wekken en dat dienaangaande rekening moet worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het betwiste model.
49. Met het oog op de uitlegging van artikel 25, lid 1, sub d, van verordening nr. 6/2002 moet eraan worden herinnerd dat overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 6/2002 – wanneer het om een gemeenschapsmodel gaat – en overeenkomstig artikel 9 van richtlijn 98/71 – wanneer het om een in een lidstaat ingeschreven model gaat – de door een model verleende bescherming elk model omvat dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt, en dat bij de beoordeling van de draagwijdte van deze bescherming rekening moet worden gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.
Geïnformeerde gebruiker: 64 . De kamer van beroep heeft in de punten 16 en 17 van de bestreden beslissing op goede gronden geoordeeld, dat de geïnformeerde gebruiker een kind van ongeveer vijf à tien jaar oud kan zijn of de marketingdirecteur van een onderneming die voortbrengselen vervaardigt waarvoor reclame wordt gemaakt door „pogs”, „rappers” of „tazos” aan te bieden. Uit de definitie van de geïnformeerde gebruiker, zoals die in punt 62 supra is gepreciseerd, vloeit immers voort dat, gelet op het feit dat de voortbrengselen waarop het betwiste model zal worden toegepast, „pogs”, „rappers” of „tazos” zijn, er in casu van moet worden uitgegaan dat de geïnformeerde gebruiker een bepaalde kennis van de stand van de techniek inzake deze voortbrengselen heeft. Aangezien het om stukken speelgoed gaat die meer bepaald voor kinderen bestemd zijn, kan deze gebruiker, zoals de kamer van beroep in de bestreden beslissing heeft aangegeven, dan ook een kind van ongeveer vijf à tien jaar oud zijn, hetgeen het BHIM noch interveniënte betwist. Aangezien het evenwel ook om een reclameartikel gaat, kan de geïnformeerde gebruiker in casu eveneens de marketingdirecteur zijn van een onderneming die dit soort voortbrengselen gebruikt om haar eigen producten te promoten.
Gerechtshof Amsterdam, 23 februari 2010, LJN: BL4968, Markant International B.V. tegen Vlaar Ergonomie B.V.
Auteursrecht. Modellenrecht. Samenloop. Licenties. Ergonomische monitorophangsystemen. Rechtsvermoeden van overdracht auteursrecht, art. 3.28 BVIE. Hof bekrachtigt vonnis waarvan beroep (Rechtbank Utrecht, 5 november 2008, B9 7290).
“Artikel 3.28 lid 1 wil bevorderen dat, indien tegelijkertijd een uitsluitend recht op een model en een auteursrecht op een in dat model belichaamd kunstwerk bestaan, deze in dezelfde hand zijn. Daartoe is echter niet vereist dat het auteursrecht reeds terstond bij het verlenen van de in artikel 3.28 lid 1 bedoelde toestemming [voor het verrichten van een depot] overgaat aangezien niet reeds bij het verlenen van die toestemming, maar pas bij het gebruik maken daarvan het uitsluitend recht op het model ontstaat.
[En] Weliswaar wordt daar bepaald dat reeds de toestemming tot depot een overdracht van auteursrecht inhoudt, maar dat is slechts een gedeeltelijke overdracht, immers slechts voor zover het werk in het model is belichaamd. (…) Omdat de verkrijger, zolang de toestemming voortduurt, niet in zijn recht tot deponeren beperkt is en hij velerlei modellen deponeren kan, kan pas als hij metterdaad tot depot overgaat, worden bepaald tot welk deel van het auteursrecht de overdracht zich uitstrekt.
Ondanks mogelijke bedoeling van partijen is i.c. slecht sprake van een licentie, nu “voor overdracht van auteursrecht is onder de Auteurswet 1912 wilsovereenstemming niet voldoende maar is vereist dat zij in een akte is neergelegd.”
Vzr Rechtbank ’s-Gravenhage, 3 maart 2010, KG ZA 10-37, Bodum AG & PI-Design tegen Ten Berg’s Handelsmaatschappij B.V.
Merkenrecht. Auteursrecht. Modellenrecht. Dubbelwandige glazen. Kort geding na opheffingskortgeding na ex parte(Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 18 december 2009, B9 8486). Bodum stelt dat gedaagde middels haar tweewandige glazen (‘Double Feeling”) en door het gebruik van de metatag BODUM inbreuk maakt op de aan Bodum toekomende auteurs- model- en merkrechten. Vordering toegewezen (afgewezen in opheffingskortgeding).
Strijd met de goede procesorde. Auteurs- en modelrechtelijke vorderingen afgewezen nu deze zelfde vorderingen op grond van dezelfde juridische en feitelijke grondslagen zijn afgewezen in het opheffingskortgeding. Merkenrechtelijk vordering m.b.t. metatag wel toegewezen: Ongerechtvaardigd voordeel trekken uit onderscheidend vermogen en de reputatie van het merk van Bodum.
Goede procesorde: 4.2. Het is vaste rechtspraak dat het aanhangig maken van een kort geding nadat in een eerder kort geding dezelfde vorderingen op grond van dezelfde juridische en feitelijke grondslagen zijn afgewezen, in strijd is met de goede procesorde, althans misbruik van procesrecht oplevert (vgl. HR 27 mei 1983, LJN AG4601). Deze regel geldt wellicht niet onverkort als de eerste procedure een ex parte procedure in de zin van artikel 1019e Rv betreft, aangezien in die procedure strengere eisen aan de aannemelijkheid van de inbreuk en de spoedeisendheid van de voorziening plegen te worden gesteld dan in een kort geding in de zin van artikel 254 Rv. Die situatie doet zich echter niet voor als in de eerste procedure de verzochte maatregelen aanvankelijk ex parte zijn toegewezen, maar in het kader van een daarop volgende herzieningsprocedure op tegenspraak krachtens artikel 1019e lid 3 Rv zijn herroepen. (…)