Praktijkgebied IE

Zoeken

In huidige categorie

Kort nieuws

Dossiers

IE Agenda

verklein lettertype vergroot lettertype
Woensdag 07 juli 2010 - B9 8963

101 lid 2 onder a en lid 4 GKVo jo 78 lid 2 sub a ZPW

Rechtbank ’s-Gravenhage, 7 juli 2010,  HA ZA 10-729, Better3fruit N.V. tegen V.O.F. Fruit/boomkwekerij De Appelaar

Kwekersrecht. Appelras. Bevoegdheidsincident. Eiser stelt in de hoofdzaak dat gedaagde (die een fruitteeltovereenkomst heeft gesloten met een sublicentienemer van eiser) zonder toestemming door oculatie van de gekochte bomen het aantal bomen heeft uitgebreid en daarmee inbreuk maakt op het kwekersrecht van eiser. Gedaagde stelt dat de rechtbank Den Haag i.c. onbevoegd is. Vordering afgewezen:

4.1. De vorderingen van Better3fruit zijn gebaseerd op een communautair kwekersrecht. De rechtbank ’s-Gravenhage is exclusief bevoegd van die vorderingen kennis te nemen op grond van artikel 101 lid 2 onder a en lid 4 GKVo jo 78 lid 2 sub a ZPW. Het feit dat Better3fruit daarnaast stelt dat De Appelaar haar contractuele verplichtingen jegens Greenstar niet nakomt en dat in de overeenkomsten tussen die partijen een bevoegde rechter wordt aangewezen maakt dat niet anders. Zoals De Appelaar zelf constateert is Better3fruit geen partij bij die overeenkomsten. De onder (1) gevorderde verwijzing is derhalve niet aan de orde. Voor het incidenteel gevorderde onder (2) en (3) bestaat gezien het voorgaande eveneens geen rechtsgrond, daargelaten de vraag of deze vorderingen zich lenen voor beslissing in een incident.

Lees het vonnis hier.


Woensdag 07 juli 2010 - B9 8962

Niet voorziet in de gewenste rechtsingang

Rechtbank ’s-Gravenhage (Kamer voor het Kwekersrecht) , 7 juli 2010,  HA ZA 08-2008, Danziger Dan Flower Farm tegen Biological Industries Plant Propagation Ltd c.s. (met dank aan Thijs van Aerde, Houthoff Buruma)

Kwekersrecht. Procesrechtelijk incident in de bodemprocedure in het langdurige kwekersrechtelijke geschil tussen  Danziger en Biological Industries (kwekersrecht op gipskruid, zie eerdere berichten hier). BI vordert bij wijze van provisionele vordering dat, voor de duur van de bodemprocedure, het inbreukverbod wordt opgeheven dan wel dat de executie wordt geschorst.

De Kamer voor het Kwekersrecht van de Rechtbank Den Haag wijst de provisionele vordering (én het pleidooiverzoek) af wegens strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, strijd met de goede procesorde en (vordering als executiegeschil) omdat een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging op de voet van art. 351 Rv. bij de hogere rechter moet worden ingediend en BI niets heeft gesteld in het kader van art. 438 Rv (bijv: dat de executie vexatoir is of dat Danziger haar executierecht misbruikt). “Samenvattend concludeert de rechtbank dat de wet niet voorziet in de door BI gewenste rechtsingang, met ander woorden de provisionele vordering is niet ontvankelijk.”

Lees het vonnis hier.


Woensdag 26 mei 2010 - B9 8857

De exceptie van berusting

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 18 mei 2010, KG ZA 09-1645, Architectenweb B.V. tegen SDU Uitgevers (met dank aan Lars Bakers, Bingh).

Reclamerecht. Tussenarrest. Berusting. Architectenweb stelt dat SDU zich van misleidende reclame heeft bediend bij aanprijzen vakblad De Architect. Vordering afgewezen in eerste instantie (vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 7 januari 2010, B9 8510). Dit tussenarrest ziet op de gestelde berusting door Architectenweb middels een bericht op haar website. Naar oordeel kan dit bericht echter niet worden gezien als een berusting in een rechtelijke uitspraak.

2. (…) “Architectenweb betreurt de uitspraak, maar zal zich er bij neerleggen. “We hadden eerlijk gezegd de rechter aan onze zijde verwacht als het gaat om het transparant maken van een markt. (…) We hebben overwogen in hoger beroep te gaan. We hebben echter ons punt al gemaakt en zijn ervan overtuigd dat we onze klanten hiermee de benodigde transparantie hebben verschaft. Het is tijd de strijdbijl te begraven en ons weer volledig te richten op positieve zaken.”

6. Het hof is van oordeel dat het in r.o. 2 aangehaalde bericht, dat is geplaatst op de eigen website van Architectenweb, niet (zonder meer) kan worden aangemerkt als een (voldoende specifiek) tot SDU gerichte verklaring dan wel een jegens deze aangenomen houding, in die zin dat daarmee aan SDU te kennen wordt gegeven dat Architectenweb afstand doet van verdere rechtsmiddelen. SDU mocht er evenmin (zonder meer) op vertrouwen dat met bedoeld bericht jegens haar de wil werd geuit afstand te doen van het rechtsmiddel hoger beroep. De omstandigheid dat het bericht, doordat het op een vrij toegankelijke website is geplaatst, ook SDU heeft bereikt, doet daaraan niet af. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat berusting verstrekkende gevolgen heeft, alsook dat (in dit geval) daarmee de wederpartij een voordeel in de schoot wordt geworpen waar niets tegenover staat. Om die reden kan niet snel worden aangenomen – en mag de andere partij er ook niet te snel op vertrouwen – dat sprake is van berusting. Zo mocht SDU er na lezing van voormeld, niet specifiek tot haar gericht, bericht niet (zonder nadere omstandigheden, waaromtrent niets is gesteld) op vertrouwen dat Architectenweb met dat bericht tevens beoogde jegens SDU kenbaar te maken dat zij afstand deed van haar recht op hoger beroep.

Lees het arrest hier.


Donderdag 22 april 2010 - B9 8778

De kruisingsouders

Rechtbank ’s-Gravenhage, 21 april 2010, HA ZA 09-3260, HZPC Holland B.V. tegen gedaagden (met dank aan Paul Mazel, Trip).

Kwekersrecht. Bedrijfsgeheimen. Pootaardappelen. Bevoegdheidsincident. Eiser HZPC stelt dat de kruisingsouders van een door gedaagde, een voormalig directeur, gekweekte aardappel door gedaagde zijn meegenomen bij zijn vertrek bij HZPC. Het kwekersrecht op de aardappel zou daarom toekomen aan HZPC. Bevoegdheid Rechtbank Den Haag.

4.1. De vorderingen van HZPC houden mede in overdracht van het kwekersrecht indien het zal zijn verleend. De rechtbank is bevoegd van die vordering kennis te nemen op grond van artikel 78 lid l ZPW. Daaraan doet niet af dat het kwekersrecht nog niet is verleend. Dit kan leiden tot afwijzing van de vordering maar raakt niet aan de bevoegdheid van deze rechtbank.

4.2. Voor de overige vorderingen, waaronder de vordering tot overdracht van de aanvraag van het kwekersrecht, geldt dat deze verknocht zijn aan de vordering tot overdracht van het kwekersrecht omdat alle vorderingen voortvloeien uit hetzelfde feitencomplex. De rechtbank is bevoegd ook van die vorderingen kennis te nemen,

Lees het vonnis hier.


Vrijdag 16 april 2010 - B9 8764

Het in Zuid-Afrika bekende ras

HvJ EU, 15 april 2010, zaak C-38/09 P, Ralf Schräder tegen Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP)

Kwekersrecht. Communautair kwekersrecht. Procesrecht.. Plantenras SUMCOL 01. Beoordelingsvrijheid CVPO. Afwijzing van aanvraag voor communautair kwekersrecht. Niet-onderscheidbaar kandidaat-ras. De plant bestaat al, kort gezegd. Eerst even voor jezelf lezen.

77. Bovendien zij eraan herinnerd dat het Gerecht, dat enkel binnen de grenzen van artikel 73, lid 2, van verordening nr. 2100/94 moet beslissen, geen volledige toetsing hoefde te verrichten om uit te maken of het ras SUMCOL 01 al dan niet onderscheidbaar was in de zin van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2100/94, doch, gelet op de wetenschappelijke en technische ingewikkeldheid van die voorwaarde – waarvan blijkens artikel 55 van verordening nr. 2100/94 overigens op basis van een technisch onderzoek dat aan een van de bevoegde nationale bureaus moet worden toevertrouwd dient te worden geverifieerd of daaraan voldaan is – het zich ertoe kon beperken, te toetsen of sprake was van een kennelijke beoordelingsfout.

(…) 104. Met de drie ter onderbouwing van dit onderdeel van het eerste middel aangevoerde argumenten wordt opgekomen tegen de in punt 92 van het bestreden arrest geformuleerde conclusie van het Gerecht dat het referentieras algemeen bekend was.


Donderdag 01 april 2010 - B9 8734

Teelttechnisch

Rechtbank ’s-Gravenhage, 31 maart 2010, ha za 07-3952, Van der Deijl Roses B.V. c.s. tegen Piet Schreurs Holding B.V.

Kwekersrecht. Merkenrecht. Strekking van een trial. Rosa 'Schuneck' Vampire! Eerst even kort:

4.8. Een trial, zeker indien deze wat groter is opgezet en teelttechnisch succesvol verloopt, levert een productie op die qua hoeveelheid en waarde verhandeld kan worden. Verhandeling is ook zinvol in het kader van een trial omdat daardoor getest kan worden hoe het nieuwe product op de markt wordt ontvangen. Naar oordeel van de rechtbank wordt met verkoop van oogstmateriaal de strekking van een trial niet overschreden. De toestemming daartoe – feitelijk een naar hoeveelheid en tijd beperkte licentie – ligt besloten in de toestemming tot de trial. Door rozen afkomstig van de 4.500 planten uit de trial aan te bieden op de Nederlandse markt, althans in een land waar Schreurs merkrechten en kwekersrechten heeft, handelt Van der Deijl dan ook niet onrechtmatig. Daar deze 4.500 planten een beperkte levensduur hebben is de impliciet verleende licentie in tijd beperkt tot die levensduur. Van der Deijl mag de planten in het kader van de trial dan ook niet verder vermeerderen of vernieuwen.

4.15. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat Van der Deijl teelt- en/of oogstmateriaal van de Rosa 'Schuneck' Vampire! in Nederland mag invoeren voorzover dat materiaal afkomstig is van de 4500 planten van de trial. Hij mag dat materiaal ook doen uitvoeren naar elders in Europa of de wereld. Verhandeling van meer materiaal, afkomstig van vermeerdering buiten de grenzen van de trial om, is Van der Deijl bij gebreke van een deugdelijke licentie niet toegestaan. Schreurs heeft niet onderbouwd dat Van der Deijl beschikt over meer dan de bedoelde 4.500 planten. Enige actuele inbreuk is dan ook niet gebleken.

Lees het vonnis hier.


Donderdag 25 maart 2010 - B9 8704

Rozen van deze rassen

Rechtbank ’s-Gravenhage, 10 maart 2010 en 24 maart 2010, HA ZA 09-2520/2503, Van Kleef Roses B.V. tegen resp. Flowerexpress/Sher en Ethiopean Meadows.

Kwekersrecht (rozen). Twee incidentele vonnissen. 10 maart: Oproeping in vrijwaring toegestaan. 24 maart: Bevoegdheidsincident, vordering afgewezen.

Vrijwaring: 4.1. (…) FlowerXpress en Sher Karuturi stellen dat zij beide voormalige aandeelhouders aansprakelijk kunnen stellen [die bij de overdracht van hun aandelen in
garanties zouden hebben gegeven mbt. verschuldigde licentievergoedingen-B9] (…). Het valt, gelet op hetgeen FlowerXpress en Sher Karuturi hebben gesteld met betrekking tot de verrichtingen en mededelingen van de voormalige aandeelhouders, niet uit te sluiten dat FlowerXpress en Sher Karuturi, indien de beslissing in de hoofdzaak voor hen nadelig zal uitvallen, verhaal hebben op de voormalige aandeelhouders. De incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring moet derhalve worden toegewezen.

Bevoegdheid / overeenkomst: 4.2.  (…) In beginsel is dus de Duitse rechter bevoegd, tenzij Rosen Tantau KG – of haar vertegenwoordiger Van Kleef – een andere rechter kiest. Dat laatste is in onderhavige zaak door het aanbrengen van de zaak bij deze rechtbank gebeurd. De rechtsgeldigheid van deze forumkeuze is niet bestreden en op basis van het bepaalde in de overeenkomsten is deze rechtbank derhalve bevoegd kennis te nemen van de vorderingen, althans voor zover ze betrekking hebben op de in de overeenkomsten genoemde rassen.

Lees de vonnissen hier en hier.


Donderdag 18 februari 2010 - B9 8606

Bij uitstek geschikt voor de verwerking tot chips

Rechtbank ’s-Gravenhage, 17 februari 2010, Lind Spolka Z.O.O. tegen C. Meijer B.V.

Kwekersrecht. Licentieovereenkomst aardappel pootgoed. Wist eiser Lind wist of had Lind redelijkerwijs moeten weten dat Meijer met betrekking tot Lady Rosetta geen Pools kwekersrecht had en had Meijer Lind daarover moeten inlichten? Exclusiviteitsrechten? Vorderingen afgewezen. In citaten:

4.1 Het door Meijer ontwikkelde aardappelras Lady Rosetta is bij uitstek geschikt voor de verwerking tot chips. Een van Meijers grootste klanten is dan ook Frito Lay, een producent van chips. Frito Lay heeft vestigingen in vele landen waaronder Polen. Ook in Polen wenst Frito Lay aardappels van het ras Lady Rosetta te gebruiken.

4.3. In de periode waarin partijen onderhandelden over de Overeenkomst en deze sloten (2002 – 2003) was het kwekersrecht in Polen nog in ontwikkeling. Veel bekende (aardappel) rassen met een kwekersrecht in bijvoorbeeld Nederland hadden in Polen (nog) geen rasbescherming. Voor de praktijk betekende dit dat deze rassen in Polen konden worden geteeld en verhandeld zonder betaling van een vergoeding. Het bracht echter ook met zich dat vermeerderd werd op basis van beschikbaar materiaal waardoor het pootgoed geen constante kwaliteit had.

4.4. De Overeenkomst heeft de strekking dat Lind bij Meijer gezond (gecertificeerd) uitgangsmateriaal inkoopt en dat Lind dat materiaal vermeerdert. (…)

4.5. Het geschil tussen partijen ziet op de eerste plaats op de vraag of Lind wist of redelijkerwijs moest weten dat Meijer met betrekking tot Lady Rosetta geen Pools kwekersrecht had en of Meijer Lind daarover had moeten inlichten. Op de tweede plaats twisten partijen over de uitleg van het begrip exclusiviteit, zoals gehanteerd in artikel 3 van de Overeenkomst.


Donderdag 18 februari 2010 - B9 8605

Uitlaten over Sneeuwwitje

Rechtbank ’s-Gravenhage, 17 februari 2010, HA ZA 08-2008, Danziger Dan Flower Farm tegen Biological Industries Plant Propagation Ltd. (met dank aan Hidde Koenraad, Vondst Advocaten).

Kwekersrecht. Kort tussenvonnis in de bodemzaak over het gipskruidras "Bambino". Partijen worden verzocht zich uit te laten over het recente arrest van het Hof inzake het gipskruidras "Blancanieves" (Gerechtshof ’s-Gravenhage, 29 december 2009, B9 8487).

2.1. Vóór vonniswijzing heeft de rechtbank kennis genomen van het arrest van het Gerechtshof 's-Gravenhage in de zaak tussen Danziger en Astee Flowers.(29 december 2009, zaaknummer 105.003.932/01, 0511577 B9 8487). Die zaak in hoger beroep ziet op een andere gipskruidvariëteit dan de onderhavige zaak. In het arrest komen evenwel rechtsvragen en feitelijke vragen aan de orde welke in hoge mate overeenkomen met de vragen die in onderhavige procedure van belang zijn.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat, indien het arrest ten tijde van de mondelinge behandeling beschikbaar zou zijn geweest partijen het arrest zonder meer in het debat zouden hebben betrokken. (…)

Lees het vonnis hier.


Maandag 04 januari 2010 - B9 8487

Sneeuwwitje vrijgesproken (HB)

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 29 december 2009, zaaknr. 105.003.932/01, Danziger “Dan” Flower Farm tegen Astée Flower (met dank aan Tjeerd Overdijk, Vondst Advocaten)

Kwekersrecht. Gispskruidvariëteiten. Eind-arrest hoger beroep van Danziger tegen Rechtbank 's-Gravenhage, 13 juli 2005,B9 686. Dit vonnis wordt door het Hof bekrachtigd. Eerst even kort:

Het hof honoreert de bezwaren van Astée Flowers tegen de door Danziger ingebrachte DNA-onderzoeken. Verder onderschrijft het hof de visie van de rechtbank dat alleen sprake kan zijn van een afgeleid ras (EDV) als het beweerdelijk afgeleide ras ook in fenotypisch opzicht slechts in één of (hooguit) een paar overerfbare kenmerken verschilt van het oorspronkelijke ras. Het Hof neemt hiermee afstand van het standpunt van vakvereniging CIOPORA, waarop Danziger een beroep had gedaan.

In het incidenteel appèl overwegingen van het Hof m.b.t. aansprakelijkheid wegens 'wapperen' en de reikwijdte van de bescherming tegen de verhandeling van oogstmateriaal.

Lees het arrest hier.


Vrijdag 04 december 2009 - B9 8402

Een bosje Sumcol 01

HvJ EG, 3 december 2009, conclusie A-G Mazák in zaak C-38/09, Ralf Schräder tegen Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP).

Communautair kwekersrecht. Afwijzing van aanvraag voor communautair kwekersrecht voor plantenras ‚SUMCOL 01’ .Onderscheidbaarheid van kandidaat-ras. Elementen die in aanmerking kunnen worden genomen om algemene bekendheid van ras vast te stellen.  (Zie ook eerdr arrest GvEA, B9 7304: “Plantenras SUMCOL 01. Beoordelingsvrijheid CVPO. Afwijzing van aanvraag voor communautair kwekersrecht. Niet-onderscheidbaar kandidaat-ras. De plant bestaat al, kort gezegd.”). Eerst even voor jezelf lezen:

66. Uit de door Schräder genoemde passages van het bestreden arrest blijkt evenwel niet dat het Gerecht niet naar behoren rekening heeft gehouden met het onderscheid tussen de begrippen „ras” en „soort”. Veeleer heeft het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest erkend dat tot de soort Plectranthus ornatus vele rassen behoren en in punt 91 „het Zuid-Afrikaanse ras van de soort Plectranthus ornatus” vermeld.


Maandag 12 oktober 2009 - B9 8259

Elegant Sint-janskruid

Hoge Raad, 9 oktober 2009, LJN: BJ2678, Eiseres tegen verweerster (Hypericum Elegance)

Kwekersrecht. Hypericum Elegance. De aanspraak op redelijke vergoeding ingevolge art. 36a Zaaizaad- en plantgoedwet (thans: art. 71 Zpw 2005) komt slechts toe aan de aanvrager wiens aanvrage uiteindelijk is ingewilligd en dus tot verlening van het kwekersrecht heeft geleid. Is hangende de aanvraag door partijen ter zake een (licentie)vergoeding overeengekomen, dan berust – indien het kwekersrecht is verleend – de aanspraak op vergoeding zowel op de wet als op die overeenkomst. 

5.2.2 Gelet op dit een en ander heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Indien het ervan is uitgegaan dat [eiseres] ook in of over de periode waarin haar aanvraag hangende was, aanspraak kon maken op een redelijke vergoeding op grond van art. 36a Zpw hoewel die aanvrage uiteindelijk is afgewezen, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof de juiste betekenis van art. 36a Zpw niet heeft miskend, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat en waarom de overeenkomsten tussen partijen aldus zouden moeten worden uitgelegd dat [verweerder] de licentievergoeding verschuldigd zou zijn ongeacht het antwoord op de vraag of [eiseres] uiteindelijk kwekersrecht op Hypericum Elegance zou verkrijgen. In zoverre slagen de onderdelen. Of partijen zijn overeengekomen dat de bedongen vergoeding ook verschuldigd zou zijn indien [eiseres] geen kwekersrecht mocht verkrijgen, zoals door [eiseres] is gesteld, dient na verwijzing, aan de hand van hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd, te worden onderzocht. De enkele door het hof weergegeven stelling van [eiseres] - dat [verweerder] bij de aankoop is meegedeeld dat sprake was van een licentievergoeding hangende de onderzoeksperiode - is daartoe evenwel ontoereikend, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.1 is overwogen.


Vrijdag 18 september 2009 - B9 8197

Op te planten

Rechtbank ’s-Gravenhage, 16 september 2009, HA ZA 08-1475, DSY B.V. tegen John Hulsebosch B.V.

Kwekersrecht. Licentieovereenkomst: Overschrijding toegestane aantal op te planten areaal. Verklaring voor recht dat licentieovereenkomst is beëindigd. Geen boete verbeurd.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van Hulsebosch, in het licht van haar eigen opgave, waarbij geen schubteelt werd vermeld, en voorts gelet op de (deels onweersproken) met producties onderbouwde stellingen van DSY, bepaald onvoldoende is, zodat ervan wordt uitgegaan dat Hulsebosch het maximum toegestane areaal van 2500 Rr2 leverbare bloembollen in het oogstjaar 2006 inderdaad met 270 Rr2 heeft overschreden. Aldus is Hulsebosch toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn uit artikel 1 van de overeenkomst voortvloeiende verplichting.


Woensdag 26 augustus 2009 - B9 8128

De planten waarop beslag lag

Rechtbank Alkmaar, 19 augustus 2009, LJN: BJ5669, Handelskwekerij B&L B.V. tegen Green Works International B.V.

Kwekersrecht. 1019c Rv. Bewijsbeslag op plantmateriaal. Beslag ingevolge artikel 1019c Rv. is ten onrechte gelegd. De door de beslaglegger ingestelde inbreukvordering is bij vonnis in kort geding afgewezen, terwijl vaststaat dat nadien geen hoger beroep tegen dit vonnis is ingesteld en er evenmin een bodemprocedure aanhangig is gemaakt. De beslaglegger heeft ervoor gekozen om geen andere procedure te starten dan een procedure in kort geding. Deze keuze heeft ertoe geleid dat er niet inhoudelijk in een bodemzaak over de vordering is beslist. De gevolgen van deze keuze dienen voor rekening en risico van de beslaglegger te komen. Onder genoemde omstandigheden dient de procedure in kort geding te worden bezien als ware het een bodemzaak waarin inhoudelijk over de vordering is beslist.

Lees het vonnis hier.


Maandag 24 augustus 2009 - B9 8108

Bloementapijtje (HB)

Noack Flower CarpetGerechtshof ’s-Gravenhage, 28 april 2009, zaaknrs.  105.006.722/01 & 105.006.656/01, Radder-Van der Stam V.O.F. c.s. tegen Baum- und Rosenschule Reinhard Noack & Baum- und Rosenschule Reinhard Noack tegen Radder-Van der Stam V.O.F c.s. (met dank aan Marleen van den Horst,  BarentsKrans).

Wellicht interessante arresten voor de licentiepraktijk. Kwekersrecht. Stukgelopen samenwerking. Zie voor de feiten: Rechtbank ‘s-Gravenhage,17 januari 2007, B9 3287. Het hof vernietigt de vonnissen waarvan beroep. Voortzetting door onderhandelingen na opzegging. Geen licentievergoeding die hoger is dan de licentievergoeding die aan andere Nederlandse licentienemers in rekening wordt gebracht. Matiging dwangsom executie door achteraf gebleken juistheid. Eerst even kort de belangrijkste overwegingen:

Arrest bodemprocedure: 4. (…) Ook het hof is van oordeel dat Noack aldus de licentieovereenkomst op zichzelf regelmatig heeft opgezegd, nu immers overeenkomstig het bepaalde in artikel X11 van de licentieovereenkomst de minimum looptijd van vijfjaren was verstreken en Noack de opzegtermijn van twaalf maanden in acht heeft genomen. In zoverre faalt de grief. Deze opzegging staat evenwel los van de vraag of partijen nadien al dan niet stilzwijgend de licentieovereenkomst hebben voortgezet tot juli 2004, hetgeen (tevens) in de grieven 2 tot en met 4 aan de orde wordt gesteld.

(…) 9. Het hof merkt op dat op zichzelf juist is dat Radder c.s. in dit verband hebben betoogd dat zij door de opstelling van Noack het vertrouwen in een mogelijke samenwerking met Noack geheel hebben verloren en dat zij om die reden niet zullen persisteren bij hun vordering in reconventie. Dit neemt niet weg dat de hoogte van de licentievergoeding ook in de conventie van belang is, nu immers de verhoging van de licentievergoeding een belangrijk geschilpunt tussen partijen is en Noack ook voor het verleden aanspraak maakt op een hogere licentievergoeding. In zoverre heeft Noack wel belang bij deze grief. In dat verband ziet het hof aanleiding het volgende te overwegen.

10. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat Noack in redelijkheid niet van Radder-van der Stam mocht eisen dat zij een licentievergoeding zou betalen die hoger was dan de licentievergoeding die zij aan andere Nederlandse licentienemers in rekening bracht. De verhouding tussen Noack en Radder-van der Stam, zowel als gewezen contractspartijen als in de hoedanigheid van onderhandelende partijen, wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Indien, zoals Noack stelt, zij voornemens was ook aan andere licentienemers een hogere vergoeding op te leggen, maar dit pas mogelijk zou zijn na afloop van de looptijd van de desbetreffende licentieovereenkomsten, was zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden de hogere licentievergoeding voor Radder-van der Stam op een later tijdstip, na 16 februari 2004, zoals hierna zal worden overwogen, dan wel - indien dit later zou zijn - gelijktijdig met die voor de andere licentienemers te laten ingaan. Het bewijsaanbod van Radder c.s. dat de licentievergoedingen die Noack aan Nederlandse licentiehouders in rekening bracht, verschilden, heeft de rechtbank evenwel terecht gepasseerd, nu dit door Noack niet wordt betwist. De stelling van Radder c.s. dat Noack in strijd met het mededingingsrecht heeft gehandeld, wordt verworpen, nu daarvoor onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld. (…)