A-G HvJEU: Facebook kan ertoe worden verplicht om aan onrechtmatige content identieke/overeenstemmende content op te sporen en wereldwijd te verwijderen

Print this page 05-06-2019
B915761

Zaak C-18/18, Facebook. Conclusie A-G Szpunar.

 

Publicatie – privacy. Uit het perscommuniqué: “Volgens advocaat-generaal Szpunar kan Facebook ertoe worden verplicht alle commentaar op te sporen en te identificeren die identiek is aan smadelijke commentaar die onwettig is bevonden. Dat geldt ook voor commentaar die qua betekenis verwant is, mits hij van dezelfde gebruiker afkomstig is. In dit geval wordt de vraag of Facebook er ook toe kan worden verplicht de betrokken commentaar wereldwijd te verwijderen, niet door het aangevoerde Unierecht geregeld.

 

[…]

 

In zijn conclusie van vandaag neemt advocaat generaal Maciej Szpunar het standpunt in dat de richtlijn elektronische handel zich er niet tegen verzet dat een hostingprovider die een sociaalnetwerksite exploiteert, zoals Facebook, er bij een rechterlijk bevel toe wordt verplicht alle informatie die door de gebruikers van dat platform wordt gepost, te screenen en er de informatie uit te filteren die identiek is aan die welke onwettig is bevonden door de rechter die het bevel heeft uitgevaardigd.

 

Volgens de advocaat-generaal kan zo een juist evenwicht worden verzekerd tussen de betrokken grondrechten, namelijk bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijkheidsrechten, bescherming van de vrijheid van ondernemerschap en bescherming van de vrijheid van meningsuiting en informatie. Het is een aanpak waarbij geen geavanceerde technische hulpmiddelen hoeven te worden ingezet, die buitensporige kosten kunnen meebrengen. Gezien het gemak waarmee informatie op het internet kan worden gereproduceerd, is die aanpak bovendien noodzakelijk om de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijkheidsrechten doeltreffend te beschermen.

 

Bij dat rechterlijk bevel kan de hostingprovider ook worden verplicht om informatie op te sporen en te identificeren die overeenstemt met die welke als onwettig is aangemerkt, maar uitsluitend binnen de informatie die is gepost door de gebruiker die ook de onwettige informatie heeft verspreid. Een rechter die uitspraak doet over de verwijdering van dergelijke overeenkomstige informatie moet ervoor zorgen dat de gevolgen van zijn bevel duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn. Daarbij moet hij de betrokken grondrechten tegen elkaar afwegen en het evenredigheidsbeginsel in acht nemen.

 

Een verplichting om overeenkomstige informatie te identificeren die door een willekeurige gebruiker is gepost, zou geen juist evenwicht tussen de betrokken grondrechten waarborgen. Om dergelijke informatie op te sporen en te identificeren zijn immers dure oplossingen nodig, en de toepassing ervan zou tot censuur leiden, waardoor de vrijheid van meningsuiting en van informatie stelselmatig zou kunnen worden beperkt.

 

Voorts is de advocaat-generaal van mening dat de territoriale omvang van een verplichting tot verwijdering van informatie die via een sociaalnetwerksite is verspreid, niet wordt geregeld in de richtlijn, zodat deze zich er niet tegen verzet dat een hostingprovider ertoe wordt verplicht dergelijke informatie wereldwijd te verwijderen. Overigens wordt die territoriale omvang evenmin door andere bepalingen van Unierecht geregeld, aangezien GlawischnigPiesczek zich in casu niet op het Unierecht beroept, maar op de algemene bepalingen van het Oostenrijkse burgerlijk recht inzake inbreuken van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijkheidsrechten, waaronder smaad , die niet zijn geharmoniseerd. Zowel de kwestie van de extraterritoriale gevolgen van een rechterlijk bevel waarbij een verwijderingsverplichting wordt opgelegd, als die van de territoriale omvang van een dergelijke verplichting moet met name in het licht van het volkenrecht en het internationaal privaatrecht worden onderzocht.

 

Ten slotte staat de richtlijn er volgens de advocaat-generaal niet aan in de weg dat een hostingprovider wordt verplicht om informatie te verwijderen die overeenstemt met die welke als onwettig is aangemerkt, wanneer dergelijke informatie hem ter kennis is gebracht door de betrokkene, door derden of via een andere bron, aangezien de verplichting tot verwijdering in dat geval geen algemeen toezicht op de opgeslagen informatie vereist."

 

De A-G geeft het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

 

"(1) Article 15(1) of Directive 2000/31/EC of the European Parliament and of the Council of 8 June 2000 on certain legal aspects of information society services, in particular electronic commerce, in the Internal Market (‘the Directive on electronic commerce’) must be interpreted as meaning that it does not preclude a host provider which operates a social network platform from being ordered, in the context of an injunction, to seek and identify, among all the information disseminated by users of that platform, the information identical to the information that has been characterised as illegal by a court that issued that injunction. In the context of such an injunction, a host provider may be ordered to seek and identify the information equivalent to that characterised as illegal only among the information disseminated by the user that disseminated that illegal information. A court adjudicating on the removal of such equivalent information must ensure that the effects of its injunction are clear, precise and foreseeable. In doing so, it must weigh up the fundamental rights involved and take account of the principle of proportionality.

 

(2) As regards the territorial scope of a removal obligation imposed on a host provider in the context of an injunction, it should be considered that that obligation is not regulated either by Article 15(1) of Directive 2000/31 or by any other provision of that directive and that that provision therefore does not preclude that host provider from being ordered to remove worldwide information disseminated via a social network platform. Nor is that territorial scope regulated by EU law, since in the present case the applicant’s action is not based on EU law.

 

(3) Article 15(1) of Directive 2000/31 must be interpreted as meaning that it does not preclude a host provider from being ordered to remove information equivalent to the information characterised as illegal, provided that a removal obligation does not entail general monitoring of the information stored, and is the consequence of awareness resulting from the notification made by the person concerned, third parties or another source."

 

Lees het perscommuniqué hier. Lees de conclusie hier (thans nog niet in het Nederlands gepubliceerd).