A-G HvJEU over schadevergoeding voor voorlopige maatregelen bij nadien nietig verklaard octrooi

Print this page 12-04-2019
B915709

Zaak C-688/17. Bayer v Richter en Exeltis. Conclusie A-G Pitruzzella.

 

Schade. Bayer heeft op 4 oktober 2010 een octrooi verkregen voor een geneesmiddel met een anticonceptionele werkzame stof. Richter en Exeltis hebben producten op de Hongaarse markt geïntroduceerd die volgens Bayer inbreuk maakten op het octrooi. Richter en Exeltis hebben op 8 november 2010 een verklaring van geen inbreuk gevorderd en op 8 december 2010 een vordering tot nietigverklaring van het octrooi. De verwijzende rechter heeft ondertussen voorlopige maatregelen opgelegd aan Richter en Exeltis. Bij beslissing van 13 september 2012 heeft het bureau het octrooi nietig verklaard. Richter en Exeltis hebben vervolgens schadevergoeding gevorderd voor de met de voorlopige maatregelen toegebrachte schade. Bayer stelt dat deze vorderingen moeten worden afgewezen, omdat Richter en Exeltis de schade zelf zouden hebben veroorzaakt, omdat zij de markt immers opzettelijk en onrechtmatig betreden met hun inbreukmakende producten, ruim vóór de vernietiging van het octrooi. Zij hadden ten minste eerst een vordering tot nietigverklaring van het octrooi moeten instellen en ten minste de rechterlijke beslissing in eerste aanleg in de procedure tot nietigverklaring moeten afwachten, aldus Bayer. De verwijzende rechter heeft twee prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van artikel 9(7) Handhavingsrichtlijn.

 

De A-G geeft het Hof in overweging de vragen als volgt te beantwoorden:

 

„1) Artikel 9, lid 7, van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten zorg moeten dragen voor de vaststelling van materieelrechtelijke regels betreffende het recht van de verweerder op schadeloosstelling voor schade toegebracht door voorlopige maatregelen in de in die bepaling bedoelde situaties, met dien verstande dat die regels de vaststelling moeten waarborgen van een doeltreffende regeling en doeltreffende rechtsmiddelen die de verweerder in staat stellen om een passende vergoeding te krijgen voor alle geleden schade, en dat zij de houder van een intellectuele-eigendomsrecht niet ervan mogen weerhouden om te verzoeken om de in artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/48 bedoelde maatregelen.

 

2) Artikel 9, lid 7, van richtlijn 2004/48 verzet zich er niet tegen dat, in het kader van een vordering tot schadevergoeding van de verweerder tegen de eiser van voorlopige maatregelen in de zin van de leden 1 en 2 van dat artikel, een regel van nationaal burgerlijk recht wordt toegepast op grond waarvan een partij niet schadeloos hoeft te worden gesteld voor schade die zij heeft geleden ten gevolge van niet-nakoming van haar verplichting om te handelen zoals in de gegeven omstandigheden normaliter kan worden verwacht teneinde de schade te voorkomen of te verminderen. Artikel 9, lid 7, van richtlijn 2004/48 verzet zich echter wel tegen een toepassing van die regel waarbij de eiser niet verplicht is tot vergoeding van schade die is toegebracht door voorlopige maatregelen die later ongegrond zijn gebleken wegens nietigheid van het octrooi ter bescherming waarvan zij waren genomen, wanneer de producten waarop de maatregelen betrekking hadden door de verweerder op de markt zijn gebracht zonder dat hij eerst de geldigheid van het desbetreffende octrooi heeft betwist, of, in het geval dat er een procedure tot nietigverklaring is gestart, zonder dat hij de nietigverklaring van het octrooi of ten minste de rechterlijke beslissing in eerste aanleg heeft afgewacht.”

 

Lees hier meer.