A-G van Peursem concludeert tot vernietiging arrest hof in Holland Scherming zaak omdat partijen niet de gelegenheid is geboden de comparitie meervoudig te laten plaatsvinden

Print this page 12-04-2018
B915365

D.V. is indirect enig aandeelhouder en indirect bestuurder van onderneming V. Hij heeft een aantal uitvindingen op zijn naam staan op het gebied van onder meer systemen voor scherming voor kassen. De kern van het materiële geschil is of een tussen partijen overeengekomen samenwerkingsregeling zich ook tot een bepaald veerblok uitstrekte. 

 

Zie voor het arrest van hof IEPT20170131, Hof Den Haag, Holland Scherming en het Boek9-bericht.

 

In deze zaak is het eindarrest mede gewezen door raadsheren die de comparitie niet hebben bijgewoond. Hiertegen is cassatie ingesteld en naar het oordeel van A-G van Peursem slaagt de procesrechtelijke klacht, zodat aan de klachten over het inhoudelijke hofoordeel niet wordt toegekomen.

 

“2.6 Uit de gang van zaken in onze zaak volgt dat deze nadere regels niet zijn nageleefd – met name blijkt niet dat partijen gelegenheid is geboden te verzoeken dat de gelaste comparitie zal plaatsvinden ten overstaan van de meervoudige kamer die vervolgens zal beslissen. Nadat grieven waren genomen en van antwoord was gediend – dus ná een eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten in appel – heeft het hof in onze zaak op 27 september 2016 een comparitie van partijen gelast. Een dergelijke comparitie heeft volgens het arrest uit december 2017 “in het algemeen” ten doel partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten en dient conform de geschetste procedure in beginsel plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zullen nemen. [...] Leidend hiervoor lijkt mij de passage te zijn uit rov. 3.4.2. van [A] c.s./Staat dat “(m)ondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting (...) van wezenlijke invloed (kan) zijn op de oordeelsvorming van de rechter” die “niet altijd volledig in een proces-verbaal (kan) worden weergegeven.” Die comparitie heeft in onze zaak plaatsgevonden ten overstaan van één raadsheer-commissaris op 29 november 2016, zonder dat is gebleken dat partijen gelegenheid is geboden om te verzoeken dat die comparitie ten overstaan van de beslissende meervoudige kamer plaats zou vinden. Vervolgens heeft het hof op 31 januari 2017 eindarrest gewezen met drie raadsheren (met in de zetel de raadsheer ten overstaan van wie bedoelde comparitie heeft plaatsgevonden).

 

2.7 Er wordt zodoende volgens mij terecht geklaagd dat partijen niet de gelegenheid is geboden de comparitie meervoudig te laten plaatsvinden ten overstaan van de raadsheren die het eindarrest zouden gaan wijzen. Hoewel mogelijk de aanvankelijke insteek kan zijn geweest een pure schikkings- en inlichtingencomparitie te gelasten, is deze bepaald ná eerste uitwisseling van schriftelijke standpunten van partijen (zodat volgens de arresten uit december 2017 “in het algemeen” sprake is van een comparitie die ten doel heeft partijen gelegenheid te bieden hun standpunten nader toe te lichten).

 

2.8 Dit betekent dat het arrest niet in stand kan blijven. Aan de klachten over het inhoudelijke oordeel wordt bij gebrek aan belang zodoende niet toegekomen, zodat ik er in dit stadium van af zie daarover te concluderen.”

 

Lees de conclusie hier.