A-G Van Peursem: vernietiging arrest voor zover vordering tot terugbetaling € 27.661,95 niet is toegewezen

Print this page 05-11-2018
B915548

Conclusie van A-G Van Peursem, 12 oktober 2018.

 

Cassatie tegen het arrest van het hof Amsterdam van 27 juni 2017 (IEPT20170627). Van Peursem concludeert in het principaal cassatieberoep (dat ziet op de begroting van de proceskostenveroordeling) tot verwerping en in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging, echter alleen voor zover het hof de vordering van [verweerster] tot (terug)betaling van € 27.661,95 te vermeerderen met wettelijke rente niet heeft toegewezen.

 

“3.6 De rechter heeft een grote mate van vrijheid bij de vaststelling van de proceskosten. De indicatietarieven vormen geen bindende regeling. Zij staan er niet aan in de weg dat een afwijkende, lagere of hogere, proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. De rechter is bevoegd, maar niet gehouden om de kostenopgave van de andere partij mee te wegen. De begroting van proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft. In cassatie kan over onbegrijpelijkheid worden geklaagd als de begroting op een misslag berust. […]

 

3.10 Deze klachten zien eraan voorbij dat een proceskostenbeslissing geen motivering behoeft (zie hiervoor onder 3.6). Het hof was daarom niet gehouden om het aantal verrichtingen in rechte en de door [eiseressen] gevorderde proceskosten in zijn motivering te betrekken. Daar komt bij dat het aantal proceshandelingen slechts één van de gezichtspunten is die relevant kunnen zijn voor het bepalen van de complexiteit van de zaak (zie hiervoor onder 3.5) en dat in cassatie niet is gewezen op stellingen in dit kader. Verder is de rechter niet gehouden om betekenis toe te kennen aan de kostenopgave van de andere partij (zie hiervoor onder 3.6). Ook in dat licht behoefde het hof niet op het aantal proceshandelingen en de kostenbegroting van [eiseressen] in te gaan. Ook deze klachten treffen zodoende geen doel. […]

 

3.17 […] Het hof heeft in rov. 3.11 inderdaad geoordeeld dat [verweerster] ten onrechte in de kosten is veroordeeld en dat het vonnis op dit punt wordt vernietigd, zodat hetgeen [verweerster] intussen uit dien hoofde heeft betaald (€ 27.661,95) terugbetaald moet worden. Rov. 3.11 laat geen andere conclusie toe dan dat [eiseressen] naar het oordeel van het hof het naar aanleiding van de uitspraak in eerste aanleg door [verweerster] betaalde bedrag van € 27.661,95, gelet op de uitkomst in hoger beroep moeten terugbetalen. Dit is kennelijk in het dictum over het hoofd gezien.

 

3.18 Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 augustus 2015 nog dit. Volgens vaste rechtspraak is degene aan wie onverschuldigd is betaald op grond van een vonnis dat later wordt vernietigd zonder ingebrekestelling in verzuim en wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip dat aan hem of haar is betaald. [eiseressen] hebben niet bestreden dat het bedrag van € 27.661,95 op 27 augustus 2015 is voldaan. Dit brengt mee dat de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 augustus 2015 toewijsbaar is.

 

3.19 Uw Raad kan de zaak volgens mij zelf afdoen door [eiseressen] te veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag van € 27.661,95 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 7 augustus 2015, de dag van betaling, tot aan de dag van terugbetaling.

 

3.20 Nu [eiseressen] zich met betrekking tot dit onderdeel van het incidenteel cassatieberoep hebben gerefereerd en zij het met succes bestreden oordeel niet hebben uitgelokt of verdedigd, lijkt een proceskostenveroordeling mij in zoverre niet aangewezen.”

 

Lees de conclusie hier.