Conclusie A-G Van Peursem tot verwerping cassatieberoep inzake inventiviteit octrooi voor 'a ready-to-use urinary catheter assembly’

Print this page 21-10-2019
B915877

Conclusie A-G Van Peursem inzake Coloplast v Medical4You.

 

Octrooirecht. Cassatie tegen het arrest van het hof Den Haag van 27 maart 2018 (IEPT20180327), waarin werd geoordeeld dat het octrooi EP 729 voor 'a ready-to-use urinary catheter assembly’ niet inventief is. A-G Van Peursem concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.

 

In citaten:

 

“In deze octrooizaak staat de geldigheid centraal van het Europese octrooi van Coloplast EP 1 145 729 voor een gebruiksklaar urinekathetersamenstel. Dat octrooi sneuvelt bij het hof op inventiviteit en in cassatie gaat het ook alleen om de inventiviteitsvraag. De klachten richten zich op de toepassing door het hof van de problem solution approach en met name de “could-would”-regel en de benadering van het objectieve technische probleem waar het octrooi een oplossing voor zou bieden. Ook zijn klachten geformuleerd over de beoordeling van aanwijzingen die de gemiddelde vakman had (of juist niet) in de stand van de techniek richting de uitvinding. Verder speelt in cassatie of hier sprake was van het overwinnen van vooroordelen in de ogen van die vakman, of zogenoemde “secundary indicia” voor inventiviteit, zoals tijdsverloop (“long- felt need”) correct zijn benaderd door het hof en of de grenzen van de rechtsstrijd in acht zijn genomen. Ook kan volgens Coloplast de beoordeling van het hof van de combinatie-uitvindingenproblematiek de toets in cassatie niet doorstaan.

 

2.14 Subonderdeel I.1 betoogt in de eerste plaats dat het hof blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door in rov. 4.15 te overwegen dat het nat verpakken op de prioriteitsdatum “binnen het bereik van de gemiddelde vakman lag”. Daarmee miskent het hof volgens de klacht dat bij de toepassing van de problem solution approach de vraag voorligt of de gemiddelde vakman op de prioriteitsdatum tot de oplossing van het objectieve probleem zou zijn gekomen (would) en dus niet of hij daartoe zou kunnen komen (could)49.

 

2.15 Dit geeft volgens mij blijk van een verkeerde, te geïsoleerde lezing van het hofarrest. Er is hier geen sprake van een verkeerde maatstaf bij de inventiviteitsbeoordeling. Blijkens rov. 4.11 heeft het hof onderzocht of de door het octrooi geboden oplossing van het nat verpakken in een niet-gasdoorlatende verpakking voor de gemiddelde vakman voor de hand lag. In rov. 4.15 en 4.23 is het hof tot het oordeel gekomen dat in deze oplossing geen inventieve stap kan worden onderkend en dat deze oplossing geen inventieve denkarbeid vergde van de gemiddelde vakman. De overweging dat het nat verpakken op de prioriteitsdatum “binnen het bereik van de gemiddelde vakman lag” lijkt mij in die context te moeten worden gelezen50. Het hof heeft hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de gevonden oplossing op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek (vgl. voor deze maatstaf hiervoor in 2.9). Anders gezegd in sleutel van de bewoordingen van de klacht: de gewraakte passage kan gelet op de geschetste context heel best lezen op would en hoeft niet te wijzen op could, zoals de klacht dit volgens mij ten onrechte wil begrijpen. […]

 

2.20 Subonderdeel I.3 klaagt dat het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk is, omdat het objectieve technische probleem in rov. 4.10 en 4.15 verschillend wordt gedefinieerd. In rov. 4.10 wordt als het objectieve technische probleem genoemd: “het verhogen van het gebruiksgemak op iedere locatie voor gebruikers van een urinekathetersamenstel met een hydrofiel gecoate urinekatheter”. In rov. 4.15 overweegt het hof echter dat het probleem erin zou zijn gelegen “dat de gebruiker nog zwelmedium erbij moet doen”. Met dat laatste heeft het hof volgens de klacht een nieuw technisch probleem gedefinieerd dat bovendien al in de richting van de oplossing wijst. Het objectieve technische probleem mag echter geen elementen van of aanwijzingen naar de oplossing bevatten (s.t. 35 en 71)53. Het oordeel getuigt volgens de klacht dan ook van hindsight bias en is vanwege het uit het oog verliezen van het objectieve technische probleem uit rov. 4.10 in ieder geval innerlijk tegenstrijdig. Het feit dat de gemiddelde vakman tot de oplossing van het in rov. 4.15 genoemde probleem zou (kunnen) komen, impliceert volgens Coloplast in ieder geval niet dat de vakman tot een oplossing zou komen van het in rov. 4.10 vastgestelde objectieve technische probleem. Althans is hier sprake van ontoereikende motivering volgens de klacht, waarbij Coloplast wijst op de vier omstandigheden die in subonderdeel I.2 zijn genoemd (zie hiervoor 2.18).

 

2.21 Dit subonderdeel zie ik ook niet slagen. Het hof heeft in rov. 4.12 tot uitdrukking gebracht dat voor de gemiddelde vakman aanstonds duidelijk zal zijn geweest dat het probleem van de LoFric katheter of Rødsten bestaat uit de noodzaak van het voorhanden hebben van geschikt zwelmedium door de patiënten en het moeten toevoegen daarvan aan de verpakking. Het in rov. 4.10 geformuleerde objectieve technische probleem moet tegen die achtergrond worden begrepen. Onder ”het verhogen van het gebruiksgemak op iedere locatie” is in dat licht te verstaan dat het niet langer nodig is om een geschikt zwelmedium voorhanden te hebben en toe te voegen aan de verpakking. Dit sluit aan bij de vaststelling in rov. 4.15 dat het probleem erin is gelegen dat de gebruiker nog zwelmedium erbij moet doen. Het objectieve technische probleem berust aldus op bezwaren van de LoFric katheter of Rødsten en niet op elementen van, of aanwijzingen naar, de gekozen oplossing.”

 

Lees de conclusie hier.