Conclusie AG Verkade in Ryanair/PR Aviation (geschriftenbescherming)

B912429

Print pagina
(Met dank aan , Hofhuis Alkema Groen)


Conclusie A-G Verkade, 12 juli 2013, zaak 12/03167, Ryanair v PR Aviation.

Databankenrecht. Geschriftenbescherming. Zie ook IEPT20120313 (hof) en IEPT20100728 (rb).  PR Aviation exploiteert een website waarop consumenten vluchtgegevens van 'low cost' luchtvaartmaatschappijen kunnen doorzoeken, prijzen kunnen vergelijken en een vlucht kunnen boeken, dat laatste tegen betaling van een provisie. PR Aviation extraheert de daarvoor benodigde gegevens naar aanleiding van een ingegeven zoekopdracht op geautomatiseerde wijze uit een aan Ryanairs website gekoppelde en ook voor consumenten toegankelijke gegevensverzameling. Volgens Ryanair pleegt PR Aviation daarmee inbreuk op haar rechten ten aanzien van die verzameling en handelt PR Aviation in strijd met de gebruikersvoorwaarden van Ryanairs website.

Ryanairs cassatiemiddel bestrijdt primair 's hofs afwijzing van Ryanairs geschriftenrechtelijke vordering op de grond dat het PR Aviation op de voet van art. 24a lid 1 Aw vrijstaat om gebruik te maken van Ryanairs gegevensverzameling (onderdeel 1) en subsidiair de toepassing van art. 24a Aw in verband met Ryanairs gebruiksvoorwaarden (onderdeel 2). De A-G meent dat de geschriftenbescherming voor databanken thans niet meer handhaafbaar is, zodat Ryanair geen belang meer heeft bij het cassatieberoep en dit beroep derhalve moet worden verworpen. Voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat Ryanair niettemin (nog) de geschriftenbescherming kan inroepen, stelt de A-G voor om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te stellen.

Enkele overwegingen:

3.28. Met PR Aviation denk ik dus dat art. 10 lid 1 onder 1 Aw en hetgeen gedurende de totstandkoming van de DbRI-implementatiewet over de geschriftenbescherming is gezegd, in ieder geval niet (langer) als maatgevende uitdrukkelijke en actuele wil van de wetgever kan worden beschouwd. Daarmee ontvalt de grond aan de tegenargumentatie, en blijft van Ryanairs desbetreffend betoog weinig over.

3.37. Ryanair ziet bij dit alles echter over het hoofd, dat het hier in de eerste plaats gaat om de uitleg van art. 24a Aw, welke bepaling (zoals eerder aangegeven) een implementatie vormt van art. 6 lid 1 DbRI. De inhoud en strekking van déze Unierechtelijke bepaling is vooreerst van belang bij de uitleg van art. 24a Aw. Artikel 6 lid 1 DbRI heeft expliciet betrekking op gebruik van de inhoud van de databank. Uit nrs. 2.38-2.41 bleek al dat deze beperking voortkomt uit de eerder in de SwRI neergelegde gedachte dat beoogd en/of normaal gebruik van een computerprogramma een reproductie veronderstelt en daarom een wettelijke beperking nodig is van het ruime reproductie begrip. Bij dergelijk gebruik van een computerprogramma zijn ook niet-beschermde elementen betrokken. Het systeem van de SwRI is in de DbRI doorgetrokken, en niet valt in te zien waarom dit systeem (met inbegrip van toegang tot niet beschermde elementen) anders zou zijn bij gebruik van een databank. Ook in de vakliteratuur leest men art. 6 lid 1 DbRI aldus, dat de (rechtmatige) gebruiker van een databank wordt geacht toegang te hebben tot de inhoud ervan. Met PR Aviation meen ik voorts dat het door deze bepaling aan de rechtmatige gebruiker verleende recht bovendien zinledig zou worden wanneer dat recht beperkt wordt tot de structuur van de databank. Men kan overigens tot hetzelfde resultaat komen via de redenering dat voor de (technisch noodzakelijke) reproductie van niet beschermde elementen geen wettelijke beperking van het auteursrecht nodig is, juist omdát het daarbij gaat om niet beschermde elementen.

3.53. Dit leidt tot mijn voorstel tot het stellen van de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU:

1.a. Dient art. 6 lid 1 DbRI aldus te worden uitgelegd, dat (gratis) beschikbaarstelling voor een algemeen publiek van een databank op zichzelf reeds medebrengt dat de gebruiker daarmee als een 'rechtmatige gebruiker' in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt?

b. Geldt dit zowel voor (opvolgende) gebruikers van off-line databanken (dvd’s en dergelijke) als voor gebruikers van on-line databanken die op internet voor een algemeen publiek (gratis) beschikbaar zijn gesteld? Of moet tussen deze categorieën van gebruikers een onderscheid worden gemaakt?

2. Voor zover vraag 1 onder a en/of b bevestigend beantwoord wordt, brengt art. 15 DbRI dan mede dat zulks consequenties heeft voor de geldigheid van gebruiksvoorwaarden die de rechthebbende zou willen stellen ten aanzien gebruikshandelingen die als 'normaal gebruik' van de inhoud van de databank (in de zin van genoemd art. 6 lid 1 DbRI) kunnen of moeten gelden?

3.a. Dient het begrip 'normaal gebruik' (van de databank) aldus te worden uitgelegd dat dit geheel en al bepaald kan worden door de gebruiksvoorwaarden die de rechthebbende zou willen stellen?

b. Of dient dit begrip naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de opvattingen in het maatschappelijk verkeer te worden uitgelegd?

c. Kan onder 'normaal gebruik' begrepen worden: het gebruik in het kader van- objectieve, niet misleidende- vergelijking van de door de rechthebbende op de databank blijkens de inhoud van die databank aangeboden goederen diensten met vergelijkbare goederen en diensten van derden?

4. Speelt bij het antwoord op de vragen 2 en/ of 3 een rol:
a. of het gebruik al dan niet van commerciële aard is;
b. of het gebruik al dan niet concurrerend gebruik (zonder toegevoegde waarde) is;
c. andere factoren, waarop het Hof de aandacht wil vestigen?

Lees de conclusie hier.