Op 27 november 2025 is Jan Brinkhof op 80-jarige leeftijd overleden. Dat is niet alleen een groot verlies voor zijn familie, vrienden en oud-collega’s van het advocatenkantoor dat zijn naam draagt, maar ook voor veel oud-collega’s, die binnen de rechterlijke macht, de universitaire wereld en de octrooigemeenschap in binnen- en buitenland met hem gedurende vele jaren hebben samengewerkt. Jan is met name voor de ontwikkeling van het Nederlandse en Europese octrooirecht van grote waarde geweest. Ter toelichting put ik uit de laudatio die ik bij gelegenheid van zijn Utrechtse afscheidsrede wegens pensionering mocht uitspreken.
Zijn oratie van 24 mei 1989 had als titel: “Europees octrooirecht – internationale normen, nationale regeltoepassing.” Dat is een kernachtige samenvatting van de vraagstukken waarmee het octrooirecht al sinds de jaren zeventig worstelt. Aan de oplossing van de daardoor opgeworpen kwesties heeft Jan Brinkof in wisselende rollen als hoogleraar, rechter en advocaat een belangrijke bijdrage geleverd.
Bij zijn aantreden in Utrecht in 1989 klonk in zijn oratie nog enige aarzeling door over de reden waarom hij als – in zijn woorden – “onervaren rechter op dit terrein” tot hoogleraar in het recht van de Industriële Eigendom benoemd werd. We lezen daar dat hij de in het stichtingsbestuur van de bijzondere leerstoel zittende advocaten ervan verdacht dat gedaan te hebben om – en ik citeer – “er voor te zorgen dat ik als rechter […] tenminste enig verstand van de materie zou krijgen”.
Zijn aarzeling en bedenkingen waren toen al niet terecht en dat deze benoeming van grote wijsheid van het bestuur getuigde heeft hij vervolgens moeiteloos duidelijk gemaakt.
Ten tijde van zijn benoeming leek gevreesd te moeten worden dat vanwege bezuinigingen de octrooirechtelijke traditie in Utrecht – met illustere voorgangers als Bodenhausen, Croon en Van Nieuwenhoven Helbach – zou verdwijnen en het octrooionderwijs in Nederland stiefmoederlijk bedeeld zou worden. Vandaar de instelling van een bijzondere leerstoel, die een paar jaar later werd omgezet in een gewone leerstoel voor de Industriële Eigendom.
Jan heeft deze gewone leerstoel op een bijzondere wijze ingevuld. Met een niet aflatende stroom van publicaties in binnen- en buitenland heeft hij een duidelijk stempel gezet op de ontwikkeling van het Europese octrooirecht en met name ook op de ontwikkeling daarvan binnen Nederland.
Een van zijn verdiensten was dat hij de neiging tot “gepolder achter de dijken” krachtig de kop heeft ingedrukt. De gevestigde orde binnen het Nederlandse octrooirecht meende in de jaren tachtig, in navolging van de Nederlandse regering, dat de in 1977 met het Europees Octrooiverdrag geïntroduceerde regels voor de beschermingsomvang van een octrooi niet meer waren dan “oud Nederlands recht”. Jan heeft er geen misverstand over laten bestaan dat dit standpunt niet alleen onjuist was, maar bovendien ook niets bijdroeg aan de ontwikkeling van een Europees octrooirecht en dat dit de taak is waarvoor de wetenschap, rechterlijke macht en advocatuur zich gesteld ziet.
Jan Brinkhof kon die boodschap met overtuiging brengen omdat hij er niet voor terugschrok te erkennen dat hij aanvankelijk ook die traditionele Nederlandse opvatting was toegedaan. Wetenschap houdt onder meer de bereidheid in om open te staan voor andermans argumenten en je daardoor te laten overtuigen om op eerder ingenomen standpunten terug te komen. Die bereidheid heeft hij vaak getoond en in de praktijk gebracht, en juist daardoor won zijn mening aan overtuigingskracht.
De ontwikkeling van zijn mening over de mogelijkheden van grensoverschrijdende verboden zijn daar een toonbeeld van. Eerst zette hij het onderwerp op de kaart, tegen de stroom van ongezouten internationale kritiek oproeiend. De geuzennaam “cowboy rechtspraak” die hem in Nederland ten deel viel, spreekt boekdelen. Daarbij figureerde Jan in de rol van “Billy the Kid”. Vervolgens stond hij flink op de rem met de introductie van de internationaal vermaarde “spin-in-het-web”-doctrine. Dat “spinnenweb” liep wat schade op na een weinig zachtzinnige behandeling door de ragebol van het Europese Hof van Justitie in de zaak Roche/ Primus, maar uiteindelijk is dit mede door hem geïnspireerde hersenspinsel niet ter ziele en nog steeds geldend recht.
Met zijn bereidheid het debat aan te gaan en zich te laten overtuigen heeft hij binnen het octrooirecht een groot gezag in binnen- en buitenland opgebouwd. Het congres dat op 11 januari 2010 ter gelegenheid van zijn afscheid van de Universiteit Utrecht werd georganiseerd, liet zien dat hij zich met gemak binnen de Europese Champions League van het octrooirecht bewoog en daar tot de basisopstelling behoorde. Zijn afscheidsbundel – On the Brink of European Patent Law – bevat een keur aan bijdragen die nog steeds actueel zijn voor de ontwikkeling van het Europees octrooi, waarvoor het Unified Patent Court sinds 2023 verantwoordelijk is. De in die bundel ook opgenomen afscheidsrede is vijftien jaar later nog steeds lezenswaardig en actueel met duidelijke vingerwijzingen voor de ontwikkeling van het Europese octrooirecht.
Door zijn enthousiasme voor het debat werden studenten ook met verschillende – in navolging van de Hoge Raad – gezichtspunten (en geen uitgangspunten) geconfronteerd. Daardoor dwong hij ze zelf argumenten te ontwikkelen en zich een oordeel te vormen. Als hij dan – na alle “voors” en “tegens” van een casus op een rij te hebben gezet – plompverloren doorschakelde naar de volgende casus, zonder het verlossende “juiste antwoord” te geven, leidde dat bij menig student tot een aanval van blinde paniek. Dat “de Professor” dan vrolijk uitlegde dat hij dat “juiste antwoord” maar bijzaak vond en dat het er om ging dat je als student de voor het juridische ambacht vereiste vaardigheden zo goed mogelijk leerde, nam die paniek niet bij alle studenten weg. Integendeel, maar de groep van “hopeloze gevallen” bleek uiteindelijk maar klein.
Een docent die enthousiast en met zichtbaar plezier les geeft weet studenten te boeien en hen de liefde voor “het vak” bij te brengen. Door zijn enthousiasme en inzet heeft Jan Brinkhof vele liefdes voor de intellectuele eigendom laten opbloeien. Iedereen kan zich wel een leraar herinneren die een blijvende invloed op zijn opleiding heeft gehad, zoals Jan in zijn afscheidsrede besprak. Hij was voor veel studenten – en collega’s – zo’n lichtend voorbeeld.
Jan Brinkhof was een aimabel, erudiet, bescheiden en rechtschapen persoon met duidelijke overtuigingen. Allemaal redenen waarom zijn overlijden een groot verlies is.
Dick van Engelen, 9 december 2025