Noot Geerts bij HvJEU Jägermeister/EUIPO

Print this page 11-02-2019
B915639

P.G.F.A. Geerts, Universiteit Groningen en bureau Brandeis, Noot onder HvJEU 5 juli 2018 (Jägermeister/EUIPO); gepubliceerd in IER 2018/46, p. 436-446.

 

Noot Geerts Jagermeister.jpg7. Het arrest. Hoewel de woorden “een voor reproductie geschikte afbeelding van het model” in art. 36 lid 1 sub c GModVo de nadruk lijken te leggen op de technische kwaliteit van de afbeelding, slaat het begrip “afbeelding” volgens het Hof echter ook op de herkenbaarheid van het model (r.o. 49). Deze lezing wordt bevestigd door art. 4 lid 1 sub e Uitvoeringsverordening Gemeenschapsmodel, welke bepaling verlangt dat de kwaliteit van de afbeelding het mogelijk moet maken om alle details van datgene waarvoor bescherming wordt gevraagd, duidelijk te onderscheiden (r.o. 50). Uit deze combinatie (aldus het Hof in r.o. 51) volgt dat de letterlijke analyse van art. 36 lid 1 sub c GModVo meebrengt dat de afbeelding van het model het mogelijk moet maken om dat model duidelijk te identificeren.

 

[...]

 

12. Dat betekent vervolgens dat in het geval de afbeelding van het model het niet mogelijk maakt om dat model duidelijk te identificeren er sprake is van een gebrek in de zin van art. 46 lid 2 GModVo. Dat gebrek kan binnen een voorgeschreven termijn door de aanvrager worden opgeheven. Doet hij dat niet dan bepaalt de slotzin van art. 46 lid 2 GModVo dat de aanvrage niet als Gemeenschapsmodelaanvraag wordt behandeld, met als gevolg dat aan die aanvraag ex art. 38 GModVo ook geen datum van indiening wordt/kan worden toegekend (r.o. 61).

 

13. Zoals hierboven al is opgemerkt valt op het arrest van het Hof niet veel aan te merken. Onduidelijke Gemeenschapsmodelaanvragen dienen uit het register geweerd te worden. Maar wat nu als zo’n onduidelijke modelaanvrage er toch tussendoor glipt? Stel dat de onderhavige Gemeenschapsmodelaanvrage van Mast-Jägermeister toch in het register zou zijn ingeschreven, zou het Gemeenschapsmodel dan nietig verklaard kunnen worden?

 

14. De nietigheidsgronden worden in art. 25 GModVo limitatief opgesomd. Goed verdedigbaar is dat (in onze fictieve casus) het Gemeenschapsmodel van Mast-Jägermeister op grond art. 25 lid 1 sub a GModVo nietig verklaard zou kunnen worden: het model stemt niet overeen met de omschrijving van art. 3 sub a GModVo waarin een definitie gegeven wordt van het begrip model. [...]

 

[...]

 

16. Niet uitgesloten is overigens dat in andere gevallen waarin de aanvrage onduidelijk is, art. 25 GModVo onvoldoende houvast biedt om de nietigheid van de aanvrage te vorderen. Van Nispen wijst er terecht op dat het artikel op dit punt onduidelijk is en waarschijnlijk tekortschiet. Veel plezier zal de modelrechthebbende van zo’n ‘onduidelijk modelrecht’ echter niet hebben. Het ligt immers in de rede:

 

“dat om praktische redenen aan een dergelijke inschrijving geen effectieve aanspraak op bescherming kan worden ontleend”. (Van Nispen/Huydecoper/Cohen Jehoram, Industriële eigendom 3 (Kluwer 2012), nr. 1.4.3.6. Zie ook de jurisprudentie die in noot 172 wordt genoemd.)

 

17. Dat brengt mij bij het BVIE. Wanneer Mast-Jägermeister niet een Gemeenschapsmodelaanvrage zou hebben ingediend maar een Benelux depot, dan had ook die geweigerd moeten worden. Evenals art. 36 GModVo schrijft regel 2.1 sub b Uitvoeringsreglement BVIE voor dat het depot (de aanvrage) een afbeelding bevat van het uiterlijk van het voortbrengsel (het model). Die afbeelding, zo leert het onderhavige arrest, moet het model duidelijk identificeren. Maar dat wisten wij in de Benelux al lang. Art. 3.6 sub f BVIE bepaalt immers dat de kenmerkende eigenschappen van het model voldoende uit het depot moeten blijken. Voldoet het depot niet aan het in regel 2.1 sub b Uitvoeringsreglement BVIE – gelezen in combinatie met art. 3.6 sub f BVIE – genoemde vereiste, dan kan dat gebrek binnen een voorgeschreven termijn door de deposant worden hersteld (art. 3.9 lid 2 BVIE jo. regel 2.3 lid 1 Uitvoeringsreglement BVIE). Doet hij dat niet dan vervalt het depot (art. 3.9 lid 3 BVIE).

 

18. En wat als het Benelux depot van Mast-Jägermeister er doorheen zou zijn geglipt en vervolgens zou zijn ingeschreven? Dan kan de nietigheid van die inschrijving op grond van art. 3.23 lid 1 sub d BVIE zonder meer worden ingeroepen. Anders dan de GModVo is het BVIE op dit punt glashelder: van ieder onduidelijk modeldepot kan de nietigheid worden ingeroepen.

 

19. Tot slot is wellicht nog aardig op te merken dat de in art. 3.6 sub f BVIE neergelegde voorwaarde in de Modellenrichtlijn niet wordt genoemd. Aangezien het echter een voorwaarde betreft die betrekking heeft op het niet-voldoen aan een formaliteit (namelijk het indienen van een duidelijk modeldepot) en de Modellenrichtlijn zich enkel met het materiële modellenrecht bezighoudt, kon deze uit de oude BTMW afkomstige voorwaarde volgens de Benelux wetgever gehandhaafd blijven (Zie GC 2002, p. 17). Dat blijkt dus een juiste keuze te zijn geweest. De Europese wetgever kan hier een voorbeeld aan nemen.

 

Lees de volledige noot hier.