11.7.6 Dwanglicenties

Print this page

Dwanglicentie. Een dwanglicentie houdt in dat de rechthebbende gedwongen kan worden om aan derden een licentie voor de toepassing van de geoctrooieerde uitvinding te verlenen. Aan het monopolie van de octrooihouder op het kunnen toepassen van een geoctrooieerde technologie kunnen maatschappelijke bezwaren verbonden zijn, waarbij gedacht kan worden aan overwegingen van algemeen belang, volksgezondheid, defensie of het belemmeren van de exploitatie van een van een basisoctrooi afhankelijk octrooi van een derde. 

Internationaal raamwerk. Bij het toekennen van dwanglicenties dient het nationale octrooirecht te blijven binnen de kaders die door het Unieverdrag van Parijs en met name de TRIPs-Overeenkomst worden aangegeven. Aangezien het afdwingen van licenties in het internationale krachtenveld een aanlokkelijke mogelijkheid kan zijn om nationale toegang tot octrooien van buitenlandse octrooihouders te verkrijgen, verbaast het niet dat het Unieverdrag, maar met name de TRIPs-Overeenkomst, de nationale manoeuvreerruimte voor het toekennen van dwanglicenties redelijk gedetailleerd afbakenen.

Unieverdrag van Parijs. Artikel 5(A)(2) van het Unieverdrag leert dat Unie-landen bevoegd zijn bij wet in de mogelijkheid van verlening van dwanglicenties te voorzien “om de misbruiken te voorkomen, die zouden kunnen voortvloeien uit de uitoefening van het uitsluitend recht, door het octrooi toegekend, b.v. het achterwege laten van toepassing.” In geval van een onvoldoende toepassing van de geoctrooieerde uitvinding dient eerst vier jaar volgend op de aanvrage, dan wel drie jaar volgend op de octrooiverlening verstreken te zijn voordat een dwanglicentie aangevraagd kan worden en dient die dwanglicentie geweigerd te worden “indien de octrooihouder zijn stilzitten rechtvaardigt met geldige redenen” (artikel 5(A)(3) Unieverdrag). Een dwanglicentie wegens onvoldoende toepassing dient bovendien niet-exclusief te zijn en “zal niet kunnen worden overgedragen, zelfs niet door middel van de verlening van onderlicenties, dan tezamen met het gedeelte van de onderneming of van de handelszaak, die deze licentie uitoefent” (artikel 5(a)(3) Unieverdrag). Indien de dwanglicenties niet het gewenste resultaat hebben is het mogelijk om vervolgens tot vervallenverklaring van het octrooi over te gaan (artikel 5(A)(3) Unieverdrag)
TRIPs. Artikel 31 TRIPs geeft evenzeer aan dat in dwanglicenties bij wet voorzien dient te worden voorzien. Dwanglicenties kunnen voorzien in “gebruik door de overheid of door daartoe door de overheid gemachtigde derden:”. Bij het toekennen van dwanglicenties tot gebruik van de geoctrooieerde uitvinding dienen de uitermate gedetailleerde kaders van artikel 31 TRIPs in acht genomen te worden.
“a. de toestemming tot dit gebruik wordt van geval tot geval bezien;
b. dit gebruik mag slechts worden toegestaan indien de voorgestelde gebruiker voorafgaande aan dit gebruik pogingen heeft gedaan om van de houder van het recht toestemming te verkrijgen op redelijke commerciële voorwaarden en deze pogingen niet binnen een redelijke termijn zijn geslaagd. Een Lid kan van deze vereiste ontheffing verlenen in het geval van een nationale noodtoestand of andere omstandigheden van bijzonder dringende aard of in geval van niet-commercieel gebruik door de overheid. In situaties van een nationale noodtoestand of andere omstandigheden van bijzonder dringende aard dient de houder van het recht niettemin zo spoedig als redelijkerwijze mogelijk is daarvan in kennis te worden gesteld. Wanneer, in het geval van niet-commercieel gebruik door de overheid, de overheid of de contractant, zonder een octrooi-onderzoek te verrichten, weet of aantoonbare redenen heeft om te weten dat een geldig octrooi wordt of zal worden gebruikt door of namens de overheid, dient de houder van het recht onverwijld daarvan in kennis te worden gesteld;
c. de reikwijdte en duur van dit gebruik zijn beperkt tot het doel waarvoor het werd toegestaan en het gebruik is in het geval van halfgeleidertechnologie alleen toegestaan voor niet-commercieel gebruik door de overheid of voor het tegengaan van een gedraging waarvan na een gerechtelijke of administratieve procedure is vastgesteld dat deze concurrentiebeperkend is;
d. dit gebruik is niet-uitsluitend;
e. dit gebruik is niet overdraagbaar, behalve tezamen met dat deel van de onderneming of de goodwill die het gebruik geniet;
f. dit gebruik wordt voornamelijk toegestaan voor de voorziening van de binnenlandse markt van het Lid dat het gebruik toestaat;
g. toestemming tot dit gebruik kan, met toereikende bescherming van de legitieme belangen van de personen aan wie toestemming is verleend, worden beëindigd indien en wanneer de omstandigheden die tot de toestemming hebben geleid zich niet langer voordoen en zich vermoedelijk niet opnieuw zullen voordoen. De bevoegde autoriteit heeft de bevoegdheid om, op met redenen omkleed verzoek, het voortduren van deze omstandigheden te bezien;
h. de houder van het recht wordt een, gezien de omstandigheden van het geval, toereikende vergoeding betaald, met inachtneming van de economische waarde van de machtiging;
i. de rechtsgeldigheid van een beslissing betreffende de toestemming tot dit gebruik is onderworpen aan toetsing door de rechter of andere onafhankelijke toetsing door een afzonderlijk hoger gezag in dat Lid;
j. een beslissing betreffende de met betrekking tot dit gebruik verstrekte vergoeding is onderworpen aan toetsing door de rechter of andere onafhankelijke toetsing door een afzonderlijk hoger gezag in dat Lid;
k. de Leden zijn niet verplicht de voorwaarden in de letters b en f toe te passen wanneer dit gebruik is toegestaan om een gedraging tegen te gaan waarvan na een gerechtelijke of administratieve procedure is vastgesteld dat deze concurrentiebeperkend is. Met de noodzaak om concurrentiebeperkende gedragingen te corrigeren kan rekening worden gehouden bij de vaststelling van het bedrag van de vergoeding in zulke gevallen. De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid de beëindiging van de toestemming te weigeren indien en wanneer de omstandigheden die tot de toestemming hebben geleid zich vermoedelijk weer zullen voordoen;
l. wanneer tot dit gebruik toestemming is verleend om het gebruik van een octrooi (“het tweede octrooi”) mogelijk te maken dat niet kan worden gebruikt zonder inbreuk te maken op een ander octrooi (“het eerste octrooi”), zijn de onderstaande bijkomende voorwaarden van toepassing:
i. de in het tweede octrooi beschreven uitvinding betreft een belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis vergeleken met de in het eerste octrooi beschreven uitvinding;
ii. de houder van het eerste octrooi is gerechtigd tot wederkerige verlening van een licentie op redelijke voorwaarden om de in het tweede octrooi beschreven uitvinding te gebruiken; en
iii. het met betrekking tot het eerste octrooi toegestane gebruik is niet overdraagbaar, behalve tezamen met de overdracht van het tweede octrooi.”

(a) Algemene bepalingen

 

(b) Dwanglicentie wegens algemeen belang

 

(c) Dwanglicentie wegens niet-toepassing

 

(d) Dwanglicentie wegens afhankelijkheid

 

(e) Dwanglicentie voor exploitative afhankelijk kwekersrecht

 

(f) Wederkerige dwanglicentie voor dwanglicentie kwekersrecht

 

(g) Dwanglicentie wegens defensiebelang

 

(h) Dwanglicentie Euratom-verdrag

 

(i) Dwanglicentie als mededingingsrechtelijke sanctie