13.3 Gekweekt plantenras

Print this page



Kweekprodukten.
Artikel 2 UPOV-Verdrag bepaalt dat de UPOV-landen de rechten van kwekers dient te beschermen. Artikel 1(iv) UPOV-Verdrag leert dat onder een kweker wordt verstaan zowel (i) degene die een ras heeft gekweekt als (ii) degene die een ras heeft ontdekt en ontwikkeld. Die omschrijving is overgenomen in artikel 1(j) ZPW en artikel 11(1) GKwV.  Kwekersrecht beschermt dus niet alleen een via bewust selecteren ontwikkeld ras, maar ook een – al dan niet toevallig – in de vrije natuur ontdekt nieuw ras kan worden beschermd op voorwaarde dat de ontdekte nieuwe variëteit c.q. mutant tot een onderscheidbaar, bestendig en homogeen ras wordt ontwikkeld. In de terminologie van de Gemeenschapskwekersrecht-verordening dient het te gaan om een kweekprodukt (artikel 5 GKwV)

Plantenras. Voor de vraag wat onder een “ras” verstaan dient te worden, wordt in artikel 1(vi) UPOV-Verdrag verwezen naar de botanische wetenschap. Vereist is dat sprake is van een “plantengroep binnen een botanisch taxon van de laagst bekende rang”. Daarvan is sprake indien de plantengroep behoort tot één botanische groep behorend tot de meest ver doorgevoerde onderverdeling waartoe de botanische wetenschap in staat is. Vervolgens worden nadere vereisten waaraan de plantengroep dient te voldoen gedefinieerd. Dezelfde definitie is te vinden in artikel 1(c) ZPW en artikel 5(2) GKwV.

(i) Genetisch bepaalde eigenschappen. De eerste vereiste is dat de groep gedefinieerd is “aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen.” Een ras dient dus waarneembare, erfelijk bepaalde eigenschappen te bezitten. Die eigenschappen kunnen uiterlijk waarneembaar zijn, zoals een afwijkende kleur, grootte of bladvorm, als niet-uiterlijk waarneembaar, zoals een bepaald gehalte aan voedingstoffen of een betere bestendigheid tegen bepaalde weersomstandigheden. Die eigenschappen dienen het gevolg zijn van een specifiek genotype, ofwel de verzameling eigenschappen van het individu die van de ouders geërfd worden. Met een “combinatie van genotypen” wordt gedoeld op zogeheten hybride rassen, die worden verkregen door het steeds weer kruisen van telkens dezelfde, genetisch verschillende ouderrassen. De hybride nakomelingen hebben dan een specifieke combinatie van genotypen van die ouders – en vertonen daardoor bepaalde eigenschappen – maar bij verdere geslachtelijke voortplanting van die hybride nakomelingen treden andere combinaties van genotypen en eigenschappen op, en verwateren de betreffende eigenschappen.

(ii) Onderscheid door minstens één eigenschap. Het tweede vereist is dat de groep kan worden onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van tenminste één van die waarneembare eigenschappen.

(iii) Eenheid. Ten derde dient de plantengroep beschouwd te kunnen worden “als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd.

Literatuur: Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, 2016, nr. 6.3.6 en 6.3.7; Van der Kooij, T&C IE, 2019, artikel 1 ZPW; Kort Begrip, 2018, nr. 183.

Vereisten plantenras. Om voor kwekersrecht in aanmerking te kunnen komen dient een plantenras (i) nieuw, (ii) onderscheidbaar, (iii) homogeen en (iv) bestendig te zijn. Aldus artikel 5(1) UPOV-Verdrag en in navolging daarvan artikel 49(1) ZPW en artikel 6 GKwV. Artikel 5(2) UPOV-Verdrag leert vervolgens nog dat aanvullende of afwijkende voorwaarden gesteld mogen worden, maar dat het ras wel (v) een rasbenaming, ofwel soortaanduiding, dient te hebben.

 

13.3.1 - Nieuwheid

 

13.3.2 - Onderscheidbaarheid

 

13.3.3 - Homogeniteit

 

13.3.4 - Bestendigheid

 

13.3.5 - Rasbenaming