13.7 Beperkingen kwekersrecht

Print this page



Beperkingen.
Artikel 14 UPOV-Verdrag bepaalt dat het daar aangegeven exclusieve recht geldt “behoudens de artikelen 15 en 16” van het verdrag. Artikel 15 UPOV-Verdrag voorziet in drietal verplichte beperkingen en een facultatieve beperking. De verplichte beperkingen zien – kort gezegd – op (i) privégebruik, (ii) experimenteel gebruik, en (iii) de zogeheten kwekersvrijstelling. De facultatieve beperking betreft het zogeheten farmers privilege. Artikel 16 UPOV-Verdrag regelt de kwekersrechtelijke uitputting. Deze beperkingen zijn geïmplementeerd in respectievelijk artikel 57(3) ZPW, artikel 59 ZPW en artikel 60 ZPW, alsmede artikel 15 GKwV, artikel 14(1) GKwV en artikel 16 GKwV.

Zie ook: Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, 2016, nr. 6.5.2-3; Van der Kooij, T&C IE, 2019, artikel 57 ZPW, aant. 4; Kort Begrip, 2018, nr. 198.
Algemeen belang. Artikel 13(8) GKwV bevat de naar het lijkt overbodige bepaling dat “de uitoefening van de aan een communautair kwekersrecht verbonden rechten” er niet toe mag leiden dat – kort gezegd – anders overheidsvoorschriften worden overtreden.  Uitoefening van een exclusief IE-recht lijkt echter nooit een vrijbrief voor overtreding van andere wettelijke bepalingen te kunnen vormen, zodat de toegevoegde waarde van de bepaling nihil lijkt. Specifiek genoemd worden “voorschriften ter bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde en de openbare veiligheid, de bescherming van de gezondheid en het leven van mensen, dieren of planten, de bescherming van het milieu, de bescherming van industriële of commerciële eigendom of de bescherming van de mededinging, de handel en de landbouwproduktie.

 

13.7.1 Privégebruik

 

13.7.2 Wetenschappelijk onderzoek

 

13.7.3 Kwekersvrijstelling

 

13.7.4 Farmers privilege

 

13.7.5 Dwanglicenties

 

13.7.6 Uitputting