4.6 - Exploitatierechten auteursrechthebbende

Print this page
Auteur:
Th.C.J.A. van Engelen

weegschaal.png

 

Exploitatierechten. De kern van het auteursecht wordt gevormd door de exclusieve rechten die de rechthebbende in stelling kan brengen tegen de commerciële exploitatie van het werk. Artikel 1 Aw geeft dit sinds 1912 aan door te bepalen dat het auteursrecht het uitsluitend recht is om een werk “openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.” Dit onderscheid tussen het openbaarmakingsrecht en het verveelvoudigingsrecht wordt in de Auteurswet vervolgens uitgewerkt in artikel 12 Aw, inzake de openbaarmaking,  en (b) artikel 13 Aw, inzake de verveelvoudiging.
 

Internationale terminologie. Met de Auteursrechtrichtlijn van 2001 zijn de auteursrechtelijke exploitatierechten binnen de Europese Unie echter in vergaande mate geharmoniseerd. Het “verveelvoudigen” van artikel 1 Aw correspondeert met de “reproductie” van het werk van artikel 2 van de Auteursrechtrichtlijn. Het begrip “openbaar maken” van artikel 1 Aw valt uiteen in – kort gezegd – (i) “openbare uitvoeringen” of (ii) “mededelingen aan het publiek” van het werk, en (iii) “distribueren” van kopieën van het werk. Anders dan het Nederlandse openbaarmakingsrecht sluit deze onderverdeling aan bij de internationaal gangbare terminologie, zoals gehanteerd in de Berner Conventie, het WIPO-Auteursrechtverdrag en de Auteursrechtrichtlijn.

Europese harmonisatie. De Auteursrechtrichtlijn bevat alleen bepalingen inzake reproductie (artikel 2), mededelingen aan het publiek (artikel 3) en distributie (artikel 4). De openbare uitvoering van een werk heeft geen onderdak in de richtlijn gekregen.

Plaatsgebonden openbare uitvoering. Dat de enkele “openbare uitvoering” buiten het bereik van de richtlijn is gebleven, laat zich verklaren doordat dit begrip wordt afgezet tegen “mededelingen aan het publiek”. Het verschil is dat bij “mededelingen aan het publiek” het betreffende publiek niet op de plaats van oorsprong van de uitvoering aanwezig is, waardoor het begrip “openbare uitvoering” door de richtlijnwetgever gereserveerd is voor de uitvoering van een werk op een plaats waar publiek fysiek aanwezig is. Dat is door het Hof van Justitie in zijn Circus Globus-arrest van 24 november 2011 (IEPT20111124) aangegeven.
Dat de plaatsgebonden openbare uitvoering buiten het bereik van de Auteursrechtrichtlijn is gebleven laat zich verklaren door het feit dat daarbij (als regel) geen sprake is van een grensoverschrijdende situatie. De tussenstatelijke handel wordt daardoor niet geraakt, zodat de richtlijn inzake het ‘Auteursrecht in de Informatiemaatschappij’ zich daar niet over hoeft te buigen.
De consequentie daarvan lijkt overigens niet te zijn dat het begrip “openbare uitvoering” daardoor ook buiten de jurisdictie van het Hof van Justitie blijft, aangezien dat Hof ook over de uitleg van de Berner Conventie gaat, waarin dit begrip al decennia bivakkeert. Een uniforme, Europees geharmoniseerde uitleg van het begrip “openbare uitvoering”, lijkt daardoor dan ook gerealiseerd te kunnen worden (zie ook nr. 2.2.1).

Genot en uitoefening. Het Hof van Justitie benadrukt in zijn rechtspraak dat op grond van de Auteursrechtrichtlijn en de achterliggende verdragen, zoals het WIPO-Auteursrechtverdrag en de Berner Conventie, de auteursrechtelijke bescherming een ruime omvang moet toekomen en dat die bescherming zich niet alleen beperkt tot het genot van die rechten, maar zich ook uitstrekt tot de uitoefening daarvan.

HvJEU. Zie de volgende arresten: 16 juli 2009, Infopaq, onder 43, IEPT20090616; 1 december 2011, Painer, onder 96, IEPT20111201; en 16 november 0216, Soulier en Doke v Premier Ministre, IEPT20161116.
Voorafgaande (impliciete) toestemming. In het Soulier-arrest van 16 november 2016 (IEPT20161116) benadrukte het Hof (onder 31) dat de bescherming van de door de Auteursrechtrichtlijn gewaarborgde rechten inzake reproductie en mededeling aan het publiek zich niet beperken tot het genot daarvan, maar zich ook uitstrekt tot de uitoefening van deze rechten. Dat uitoefeningsrecht is preventief van aard, zodat de toestemming van de rechthebbende voorafgaand aan een reproductie of mededeling aan het publiek vereist is (onder 33). De richtlijn bevat geen vormvereisten voor de te geven toestemming zodat die toestemming niet “noodzakelijkerwijze expliciet moet worden geuit”, maar ook een impliciet toestemming mogelijk is (onder 35). De in die procedure aan de orde zijnde Franse regeling, die voorzag in een verzetsrecht achteraf tegen het toestaan van de exploitatie van niet meer verkijgbare boeken door een auteursrechtorganisatie, werd echter niet toelaatbaar geoordeeld, omdat de betreffende regeling geen mechanisme bevatte “dat waarborgt dat de auteurs daadwerkelijk en persoonlijk in kennis worden gesteld”, zodat het niet uitgesloten was “dat enkele van de betrokken auteurs in werkelijkheid zelfs niet op de hoogte zijn van het voorgenomen gebruik van hun werken, en dus niet in staat zijn hierover een positief dan wel negatief standpunt in te nemen.” Dat brengt met zich dat het loutere feit dat die auteurs zich niet hebben verzet, niet kan worden gezien als een impliciete toestemming.

In het Spedidam-arrest van 14 november 2019 (IEPT20191114) oordeelde het Hof van Justitie dat een vergelijkbare Franse regeling die uitging van een weerlegbaar vermoeden van toestemming door een uitvoerend  kunstenaar tot de latere exploitatie door de nationale omroep van een audiovisuele productie toelaatbaar was, omdat vaststond dat de uitvoerend kunstenaars met het oog op gebruik door de omroep aan de productie meewerkten en bij de opname aanwezig waren. Omdat het op die omstandigheden gebaseerde vermoeden van toestemming tot latere exploitatie ook weerlegbaar was, oordeelde het Hof (onder 43) dat die nationale regeling niet afdeed aan het “in het Unierecht opgenomen vereiste van schriftelijke toestemming van de uitvoerend kunstenaar”, maar “louter de vormgeving van de bewijsregeling inzake het bestaan van die toestemming” betrof.

Bastei Lübbe. In het arrest van 25 oktober 2018 (IEPT20181025) oordeelde het Hof van Justitie  dat een nationale regeling, die inhoudt dat de houder van een internetaansluiting, waarmee inbreuken op het auteursrecht zijn gemaakt door filesharing, daarvoor niet aansprakelijk kan worden gesteld onder de blote stelling dat een ander gezinslid ook toegang had tot deze aansluiting in strijd is met Unierecht, omdat een dergelijke regeling de vaststelling van de vermeende inbreuk en de identificatie van de inbreukmaker onmogelijk maakt. Daarmee verschaft een dergelijke regel niet het vereiste evenwicht tussen de verschillende grondrechten in kwestie, te weten (i) het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en (ii) het intellectuele-eigendomsrecht, enerzijds, en (iii) het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven, anderzijds.


4.6.1 - Reproductie (verveelvoudiging)

4.6.2 - Openbare uitvoering (openbaarmaking)

4.6.3 - Mededeling aan het publiek (secundaire openbaarmaking)

4.6.4 - Distributie (beschikbaar stellen exemplaren)

4.6.5 - Filmwerken

4.6.6 - Computerprogramma's

 

4.6.7 - Databanken

 

4.6.8 - Makerschapsrechten