7.10 - Absolute weigerings- of nietigheidsgronden

Print this page

weegschaal.png

 

Absolute gronden. Artikel 4 Merkenrichtlijn 2015 (voorheen Artikel 3) bevat de zogeheten absolute gronden voor weigering of nietigheid van een merk, zodat de inschrijving daarvan ambtshalve geweigerd dient te worden, dan wel – indien het teken onverhoopt toch ingeschreven mocht zijn – nietig verklaard dient te worden. Lid 1 bevat de algemeen geldende absolute weigeringsgronden, terwijl lid 3 in een drietal faculatatieve weigeringsgronden voorziet, zodat de lidstaten de keuze hebben deze al dan niet te implementeren.
Onafhankelijke weigeringsgronden. Het Hof van Justitie heeft benadrukt dat de verschillende weigeringsgronden onafhankelijk van elkaar van toepassing kunnen zijn. Dat brengt met zich dat voor de toelaatbaarheid van een teken als merk zo nodig alle individuele weigeringsgronden de revue moeten passeren (HvJEG, 8 april 2003, Linde c.s., onder 67, IEPT20030408). Het Hof heeft tevens aangegeven dat in beginsel aan ieder van die gronden in beginsel een eigen algemeen (deel)belang ten grondslag ligt. Dat brengt met zich dat iedere grond een afzonderlijk onderzoek vereist en een eigen gemotiveerde weerlegging behoeft, ofwel een uitspraak daarover “andere overwegingen [moet] weerspiegelen” (HvJEG, 16 september 2004, SAT.1, onder 25, IEPT20040916).
Overlapping absolute weigeringsgronden. Hoewel de verschillende absolute weigeringsgronden onafhankelijk zijn, bestaat er wel een “duidelijke overlapping” tussen de werkingssfeer van de verschillende specifieke weigeringsgronden (HvJEG, 4 oktober 2001, Merz & Krell, onder 35, IEPT20011004).
Algemeen belang: vrijhouding publiek domein. De omstandigheid dat de verschillende weigeringsgronden ieder voor een specifiek algemeen belang staan, terwijl die categorieën ook een duidelijk overlapping vertonen, leert dat ook die algemene belangen overlappen. Voor ogen dient dan ook gehouden te worden dat het bij de verschillende weigeringsgronden om verschillende algemene (deel)belangen gaat. Het overkoepelende algemeen belang is dat de beperkingen die door het merkenrecht aan marketingcommunicatiemiddelen en mogelijkheden gesteld worden slechts zover mogen gaan als door een concreet individueel producentenbelang of een algemeen consumentenbelang gerechtvaardigd is. De zo groot mogelijke, vrije beschikbaarheid van communicatiemiddelen en -mogelijkheden, ofwel het veilig stellen van een zo ongestoord mogelijk publiek domein, is het overkoepelende algemeen belang dat met deze weigeringsgronden gediend wordt.

Windsurfing Chiemsee. Dat algemene belang tot vrijhouding van het publiek domein, klinkt door in de overwegingen van het Hof van Justitie in zijn Chiemsee-arrest van 1999 (IEPT19990504), waar het Hof stil staat bij het deelbelang van (destijds) artikel 3(1)(c) (thans artikel 4(1)(c) Merkenrichtlijn 2015). Onder 25 overweegt het Hof dat die bepaling een doel van algemeen belang nastreeft, inhoudende dat generieke tekens of benamingen “door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt” en belet dat “die tekens of benamingen op grond van hun inschrijving als merk aan een enkele onderneming worden voorbehouden”. In de daaropvolgende overweging geeft het Hof aan dat met name voor de mogelijkheid van aanduiding van  een  generieke plaats van herkomst “een algemeen belang aan vrijhouding” bestaat. Dat vrijhoudingsbelang ziet op het belang dat derden vrij over hun producten kunnen communiceren en de generieke kenmerken daarvan vrij kunnen aanprijzen. Het Hof geeft in Chiemsee (onder 26) aan dat dit vrijhoudingsbelang bestaat omdat derden “niet alleen de kwaliteit en andere eigenschappen van de betrokken categorieën van waren” moeten kunnen aangeven “maar ook de voorkeur van de consumenten” moeten kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld “door een verband tot stand te brengen tussen de waren en een plaats met een positieve gevoelswaarde.”
Lancôme v BHIM – Color Edition. In zijn arrest van 25 februari 2010 in Lancôme v BHIM (IEPT20100225) benadrukte het Hof (onder 40) dat de absolute weigeringsgronden de bescherming beogen van het algemeen belang dat eraan ten grondslag ligt, zodat om die reden artikel 62(1)(a) UMeV 2017 niet eist dat degene die nietigverklaring vordert, een procesbelang aantoont. Zie ook: HvJEG, 5 februari 2004, Streamserve v BHIM (IEPT20040205) ;HvJEU, 19 juni 2014, Donaldson v BHIM. (IEPT20140619).

 

Informatievrijheid. Dit ‘vrijhoudingsbelang’ is in wezen een uitwerking van de door de vrijheid van meningsuiting van artikel  10 EVRM beschermde informatievrijheid. De door artikel  10 EVRM gewaarborgde “vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken”, ziet ook commerciële communicatie (EHRM, 25 maart 1985, Barthold v Germany, onder 42, NJ 1987, 900). De consequentie daarvan dient te zijn dat generieke productnamen en begrippen die generieke productkenmerken kunnen identificeren, vrij gebruikt moeten kunnen worden en publiek domein dienen te zijn.

Toetsing. Toetsing aan de absolute weigeringsgronden vindt ambtshalve plaats door het Benelux Bureau dan wel het BHIM.

Rechterlijke toetsing. Nietigverklaring van een merk wegens strijd met een absolute nietigheidsgrond kan ook worden gevorderd bij de rechter. Voor het Benelux merk wordt die mogelijkheid gegeven in artikel 2.28(1) BVIE, waarbij alle rechtbanken in Nederland bevoegd kunnen zijn. Voor het Uniemerk voorziet artikel 128 UMeV 2017 in de mogelijkheid van een nietigheidsverklaring door een rechtbank voor het Uniemerk wat in Nederland de rechtbank Den Haag is. Die mogelijkheid bestaat enkel in geval van een reconventionele vordering (artikel 124(d) UMeV 2017). Een reguliere nietigheidsactie inzake een Uniemerk dient te worden ingesteld bij het BHIM (artikel 59 UMeV 2017).



(a) Tekens die geen merk kunnen vormen
 

(b) Merken die elk onderscheidend vermogen missen

(c) Merken bestaand uit 
potentiële aanduidingen van productkenmerken

(d) Merken bestaand uit gebruikelijk geworden tekens of benamingen

(e) Weigeringsgronden vormen en andere kenmerken

(f) Strijd met openbare orde of goede zeden

(g) Misleiding van publiek

(h) Wapens, vlaggen en andere staatsemblemen

 

(i) Beschermde oorsprongbenamingen en geografische aanduiding


(j) Bescherming traditionele aanduidingen voor wijn


(k) Bescherming gegarandeerde traditionele specialiteiten 

 

(l) Bescherming plantenrasbenamingen

 

(m) Depot te kwader trouw

 

(n) Facultatieve absolute weigerings- of nietigheidsgronden

 

(o) Inburgering