8.2 - Ontstaan handelsnaamrecht door gebruik

Print this page
Auteur:
Th.C.J.A. van Engelen

 

Gebruik constitutief. Op grond van artikel 8 van het Unieverdrag van Parijs dienen handelsnamen beschermd te worden “zonder verplichting van depot of inschrijving”. De Nederlandse Handelsnaamwet kent dan ook geen inschrijvingsvereiste. Het feitelijke gebruik als handelsnaam is beslissend voor het ontstaan van het recht.

Handelsregisterwet. Artikel 9 van de Handelsregisterwet 2007 bepaalt dat “de handelsnaam of de handelsnamen” van een onderneming in het handelsregister dienen te worden opgenomen. Voor de bescherming als handelsnaam is deze inschrijving in het handelsregister echter niet van belang, daargelaten dat een inschrijving van een handelsnaam en de inschrijvingsdatum in een procedure wel een vermoeden van gebruik als handelsnaam opleveren.

Tandem v Tendum. In het arrest van 24 december 1976 (IEPT19761224) in de zaak Tandem v Tendum bevestigde de Hoge Raad dat de inschrijving in het handelsregister van de handelsnaam of van de onderneming geen “voorwaarde is voor de bescherming van de handelsnaam die de Handelsnaamwet verleent.

Bekendheid in Nederland. Voor het ontstaan van een handelsnaamrecht onder de Handelsnaamwet is wel vereist dat de handelsnaam gebruikt wordt. In geval van een in het buitenland gevestigde onderneming is voldoende dat deze in Nederland onder die handelsnaam bekendheid geniet.

Rechtspraak In zijn Matrix-arrest van 29 juni 1990 (IEPT19900629) bevestigde de Hoge Raad dat beslissend is of de handelsnaam van een buitenlandse onderneming in Nederland naamsbekendheid geniet, zodat in Nederland bij het publiek verwarring kan ontstaan. Daarmee bevestigde de Hoge Raad de leer van zijn Kjellberg-arrest van 15 januari 1965 (IEPT19650115) waarin de Hoge raad aangaf dat denkbaar is dat een buitenlandse onderneming, die zijn  handelsnaam nog niet in Nederland gebruikt “niettemin, bijvoorbeeld dank zij de roep van haar voortbrengselen, in Nederland reeds een dusdanige bekendheid geniet dat bij het publiek verwarring zou kunnen ontstaan omtrent de herkomst van waren die onder een, met haar handelsnaam overeenstemmend, merk in de handel wordt gebracht”. In het Vita-arrest van 1927 (IEPT19270527) bepaalde de Hoge Raad al dat niet vereist is dat een buitenlandse handelsnaam in Nederland gevoerd wordt, aangezien het misbruik, waar de Handelsnaamwet tegen wil waken, ook mogelijk is bij een buitenlandse handelsnaamwet. Zie ook: Van Nispen/Huydecoper/Cohen Jehoram, 2012, nr. 2.3.1.2.

8.2.1 - Aard handelsnaamrecht