IEPT20080910, Rb Amsterdam, Corneille

Print this page 12-09-2008
IEPT20080910, Rb Amsterdam, Corneille

AUTEURSRECHT VERMOGENSRECHT

 

Derdenbescherming auteursrechtoverdracht
Een en ander impliceert dat [C] niet kan worden geacht bekend te zijn geweest met de auteursrechtoverdracht van [A] aan [B] in 2002 en dat [C] in beginsel, behoudens ten aanzien van het hierna onder 4.5 en verder te behandelen geschilpunt, van beschikkingsbevoegdheid van [A] mocht uitgaan en de bescherming van artikel 3:36 BW kan inroepen

[eisers in conventie, verweerders in reconventie] stelt in dit verband dat [A] op grond van de overdracht van zijn auteursrechten aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in juli 2002 niet meer bevoegd was over zijn rechten te beschikken. [C] beroept zich in dit verband echter op de bescherming van artikel 3:36 BW.
Ook indien van de geldigheid van de auteursrechtoverdracht aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] wordt uitgegaan, is voor het antwoord op de vraag of [C] een beroep op artikel 3:36 BW toekomt relevant of [C] bekend was met deze auteursrechtenoverdracht. Het had daarbij naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [eisers in conventie, verweerders in reconventie] gelegen [C] zo spoedig mogelijk omtrent de auteursrechtenoverdracht in te lichten. [eisers in conventie, verweerders in reconventie] stellen dat dit is gebeurd, hetgeen door [C] echter gemotiveerd wordt betwist. (…). Een en ander impliceert dat [C] niet kan worden geacht bekend te zijn geweest met de auteursrechtoverdracht van [A] aan [B] in 2002 en dat [C] in beginsel, behoudens ten aanzien van het hierna onder 4.5 en verder te behandelen geschilpunt, van beschikkingsbevoegdheid van [A] mocht uitgaan en de bescherming van artikel 3:36 BW kan inroepen. Redelijkerwijs heeft [C] immers, bij gebrek aan wetenschap omtrent de auteursrechtenoverdracht, uit verklaringen en gedragingen van [A] na 18 juli 2002 mogen afleiden dat [A] nog altijd beschikkingsbevoegd was en dat hij zijn auteursrechten niet aan een ander had overgedragen. [A] heeft immers herhaaldelijk zijn toestemming tot het (laten) exploiteren van zijn werk aan [C] gegeven, hetgeen onder meer blijkt uit het door [C] als productie 7 overgelegde bewijsstuk, een brief van [A] aan [persoon 11] gedateerd 22 december 2004 die voor zover hier relevant als volgt luidt: "Wat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betreft kan ik u meedelen dat ik bijna veertig jaar met hem samenwerk en dat hij steeds mijn toestemming heeft gehad voor zijn diverse uitgaven en merchandising producten.", alsmede door [C] als productie 24 overgelegde foto's van [A] achter het stuur van een met zijn werk beschilderde auto van het merk Smart.
Op grond van de gestelde auteursrechtenoverdracht zijn de afzonderlijk door [A] gegeven toestemmingen tot exploitatie/verveelvoudigingen van zijn werk alsmede de bij brief van 9 juli 2004 gegeven toestemming dan ook niet vernietigbaar. 

 

Geestelijke stoornis
Geestelijke stoornis ten tijde van de overeenkomst, alsmede ten tijde van de afzonderlijk gegeven toestemmingen sinds 18 juli 2002 bewezen

 

Gerechtvaardigd vertrouwen
Toegelaten tot nader bewijs dat [C] wist of had kunnen en behoren te weten dat toestemming(en) onder invloed van een geestelijke stoornis plaatsvonden
Aldus is relevant het antwoord op de vraag of [C] wist of had kunnen en behoren te weten dat de bij brief van 9 juli 2004 gegeven toestemming, alsmede de afzonderlijk gegeven toestemmingen, onder invloed van een geestelijke stoornis hebben plaatsgevonden. (…). Gezien de gemotiveerde betwisting door [eisers in conventie, verweerders in reconventie] acht de rechtbank [C] nog niet geslaagd in het in rechtsoverweging 4.7 genoemde bewijs. Nu [C] op dit punt expliciet bewijs heeft aangeboden, zal zij daartoe worden toegelaten.

 

IEPT20080910, Rb Amsterdam, Corneille