Nieuw executiegeschil over verschaffing toegang tot CMS voor beheer Youtube kanalen

IEPT20170804, Rb Amsterdam, Zoom in v MN

Print pagina
IEPT20170804, Rb Amsterdam, Zoom in v MN
(Met dank aan , Boekx Advocaten)


Vorderingen Zoom.in in nieuw executiegeschil over vonnissen (IEPT20170601) en (IEPT20170711) waarin Zoom.in is veroordeeld om MN toegang te verlenen tot haar CMS afgewezen: eventuele schrijffouten niet aangemerkt als substantiële fouten, enige element dat Zoom.in heeft toegevoegd aan betoog dat zij van Youtube geen "Content Owner" bevoegdheden mag toekennen aan MN zijn e-mail berichten van Youtube waaruit niet duidelijk blijkt dat Youtube relatie met Zoom.in zal verbreken of Zoom.in anderszins in een noodtoestand zal komen bij verschaffing toegang. Dwangsommen verdubbeld: voldoende blijk van onwil om aan veroordeling te voldoen.

 

PROCESRECHT

 

Kort geding. Nieuw executiegeschil. Zoom.in is een Nederlands bedrijf dat onder meer diensten verleent aan videomakers die hun eigen filmpjes online zetten via YouTube. MN is een Brits bedrijf dat zich richt op de exploitatie van YouTube-kanalen. Partijen zijn in 2014 gaan samenwerken, waarbij Zoom.in MN een groter platform zou bieden om haar kanalen te openbaren en eenvoudiger te beheren, via het CMS van Zoom.in.  Nadat Youtube in 2016 aankondigde het beleid rond zogenoemde Multi Channel Networks zou aanscherpen, zijn tussen partijen geschillen ontstaan. Zoom.in heeft kanalen van MN ‘verhangen’ naar Zoom.in omdat het nieuwe beleid daar volgens haar toe noopte. Deze geschillen hebben geleid tot een uitspraak in kort geding van de rechtbank Amsterdam (IEPT20170601), waarin de voorzieningenrechter onder meer oordeelde dat MN weer toegang moest krijgen tot het CMS zodanig dat MN dezelfde mogelijkheden verkreeg als die zij had op 1 november 2016 om kanalen te managen, waaronder het recht haar inkomsten te beheren. Dit op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van 500.000,-. Daarnaast werd Zoom.in veroordeeld achterstallige-reclame inkomsten te betalen. In een executiegeschil van 11 juli 2017 (IEPT20170711) werd de gevorderde schorsing van de executie van het vonnis van 1 juni grotendeels afgewezen.

 

De voorzieningenrechter overweegt dat Zoom.in met een nieuw executiegeschil op komt tegen de vonnissen in kort geding van 1 juni 2017 en 11 juli 2017 en dat hierbij het uitgangspunt is dat een herbeoordeling van de vorderingen wegens het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet dient plaats te vinden. Volgens de voorzieningenrechter moet voorkomen moet worden dat deze procedure dient als verkapt hoger beroep. Van belang is dat slechts relevante nieuwe feiten en/of omstandigheden die een nieuw (executie)geschil kunnen rechtvaardigen dienen te worden beoordeeld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis slechts plaats is indien de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

 

Zoom.in voert samengevat aan dat het vonnis van 11 juli 2017 berust op juridische en feitelijke fouten, waardoor niet met zekerheid kan worden gesteld dat de juiste maatstaf is aangelegd bij de beoordeling, dat ten onrechte wordt verondersteld dat Zoom.in enige keuzevrijheid heeft gehad bij het verhangen van de kanalen en dat ten onrechte de begrippen "gelieerde onderneming" en "aangesloten kanaal of videomaker" door elkaar gehaald waarbij inmiddels sprake is van nieuw bewijs/nieuwe feiten, op grond waarvan MN in redelijkheid geen gebruik mag maken van haar recht op executie en/of Zoom.in aantoonbaar in een noodtoestand is komen te verkeren.

 

De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep van Zoom.in op juridische of feitelijke fouten in het vonnis van 11 juli 2017 faalt. Hoewel volgens de voorzieningenrechter aannemelijk is dat in het executievonnis enkele schrijffouten zijn gemaakt wordt geoordeeld dat geen sprake is van substantiële fouten.

 

Verder stelt de voorzieningenrechter dat het enige nieuwe element dat Zoom.in heeft toegevoegd aan het - in de eerdere uitspraken te licht bevonden - betoog dat zij van Youtube geen "Content Owner" bevoegdheden mag toekennen aan MN, recente e-mail berichten van Youtube zijn. Uit deze berichten blijkt volgens de voorzieningenrechter echter niet klip en klaar dat Youtube haar relatie met Zoom.in zal verbreken dan wel dat Zoom.in anderszins in een noodtoestand zal komen te verkeren als Zoom.in aan MN alle "Content Owner" bevoegdheden verschaft ter uitvoering van het vonnis van 1 juni. Alle andere stellingen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter een herhaling van zetten die derhalve buiten bespreking kunnen blijven.

 

De conclusie van de voorzieningenrechter is dat van misbruik van bevoegdheid door de ten uitvoerlegging van de vonnissen aan de kant van MN geen sprake is waardoor geen aanleiding is voor opheffing, schorsing of matiging van de opgelegde dwangsom.

 

In reconventie wordt het maximum van de dwangsom verdubbeld tot 1 miljoen euro. Overwogen wordt dat Zoom.in ten onrechte niet volledig heeft voldaan aan de veroordeling van het vonnis van 1 juni. Van onmacht om toegang tot het CMS te verlenen is volgens de voorzieningenrechter geen sprake. Volgens de voorzieningenrechter heeft Zoom.in onvoldoende hard gemaakt dat de vrees dat Youtube het contract met haar zal verbreken, gegrond is. De voorzieningenrecht oordeelt dat MN door de rigide opstelling van Zoom. in hard wordt geraakt en dat uit de opstelling van Zoom.in thans voldoende blijkt van onwil om aan de veroordeling te voldoen. Daarnaast wordt Zoom.in veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 394.580,13 zijnde de achterstallige reclame-inkomsten vanaf 1 december 2016 tot en met 20 juli 2017.

 

De IEPT-versie volgt.

 

(kopie vonnis)