B9 11712. Hoge Raad, 5 oktober 2012, Drie conclusies A-G verkade, in zaak 11/02793, Stokke/Opsvik tegen H3 Products en in zaak 11/04114, Frima Hauck tegen Stokke/Opsvik en in zaak 11/00447 (Stokke/Filszo). (met dank aan Tobias Cohen Jehoram, Vivien Rörsche en Robbert Sjoerdsma, De Brauw Blackstone Westbroek & Olaf van Haperen, Kneppelhout & Korthals).
Auteursrecht. (Vorm)merkenrecht (wezenlijke waarde van de waar). Tripp Trapp-zaken. A-G i.b.d. Verkade overtreft zichzelf met drie nieuwe Verkade albums: drie conclusies van maar liefst 56, 69 en 96 pagina’s. Het betreft het cassatieberoep tegen Gerechtshof ’s-Gravenhage, 31 mei 2011, B9 9748 (Hauck/Stokke) over de Alpha en Beta kinderstoelen (inbreuk), het cassatieberoep tegen Hof Amsterdam, 15 maart 2011, IEPT20110315 (H3/Stokke) over de Carlo kinderstoel (geen inbreuk) en het cassatieberoep tegen Hof Den Haag, 5 oktober 2010, IEPT20101005 (Stokke/Fikszo/H3) over de Bambino e.a. (inbreuk/geen inbreuk).
In de zaak H3/Stokke concludeert Verkade: “Ik heb in de zaak, op zichzelf beschouwd, geen rechtsvragen aangetroffen die (…) beantwoording behoeven. Ik wil evenwel niet met die constatering volstaan.” In de 54 volgende pagina’s schetst Verkade het juridisch kader en past, nu rechtsvragen ontbreken, op de klachten een “althans voor mijn doen” verkorte behandeling toe. Twee citaten voor nu:
5.10 (…) lets wat kan gelden als een baanbrekend ontwerp, al dan niet met onderscheidende vormgeving, maakt daarmee nog niet per se aanspraak op auteursrechtelijke bescherming, Iaat staan - in het Iicht van technische voordelen - op een zgn. ruime beschermingsomvang.
5.21.1./ 22(…) het 'totaalindrukken'-criterium brengt (anders dan optel- en aftrekwerk) nu juist mee dat verschil ten aanzien van een vormelement of kenmerk kan en mag leiden tot het oordeel dat er sprake is van andere totaalindrukken. (…) . Anders dan het onderdeel veronderstelt, verdraagt zich met het 'totaalindrukken' -criterium zeer wel dat de feitenrechter (objectieve, althans objectievere) kenmerken met een gebruiksbestemming op de achtergrond plaatst en aan een uitgesproken subjectieve trek (hier: de L-vorm van het frame) een overheersend 'totaalindruk'-bepalend karakter toekent. Anders dan het onderdeel suggereert, is dat (juist) niet een beperking van de beoordeling tot dat element, en is van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake. Dat de feitenrechter de in onderdeel 11.1.d bedoelde op zichzelf niet oorspronkelijke, technisch(e) (noodzakelijke) elementen (met een gebruiksbestemming) en/of stijlelementen bij de beoordeling van de totaalindrukken op de achtergrond plaatst is geheel in overeenstemming met rov. 3.4 van het Decaux/Mediamax-arrest, aangehaald in nr. 4.13.4.
In de zaak Hauck/Stokke gaat Verkade eveneens (onder meer) in op de beschermingsomvang en concludeert hij daarnaast m.b.t. het (nietig verklaarde) Tripp Trapp-vormmerk tot het stellen van prejudiciële vragen over weigerings- of nietigheidsgrond van art. 3 lid 1 aanhef en onder e Richtlijn 89/104 (2008/95), aangaande ‘de wezenlijke waarde van de waar’:
5.48.4. Indien het criterium 'door de aard van de waar bepaald' moet worden uitgelegd in (zeer) beperkte zin, ongeveer zoals: afwezigheid van een (realistisch) alternatief zou deze klacht gegrond kunnen zijn. Maar (mede) gelet op de door het HvJ EG voor alle uitsluitingsgronden van art. 3 lid 1 onder (e) MRl aangegeven ratio, nl.: wezenlijke gebruikskenmerken van een waar, waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt, die niet merkenrechtelijk gemonopoliseerd mogen worden, ligt hier een vraag die prejudiciële beantwoording door het HvJ EU behoeft (zie dienaangaande par. 6 van deze conclusie).
In de zaak Stokke/Fikszo/H3 concludeert Verkade tot verwerping van het beroep en het incidentele beroep van Fikszo. Ook hier wordt (onder meer) nadere aandacht besteed aan de beschermingsomvang:
5.22.2 (…) Anders dan onderdeel 3 tot uitgangspunt neemt, heeft het hof niet geoordeeld dat de beschermingsomvang van de Tripp Trapp zo ruim is (dat zij met zich brengt) dat overname van een enkel auteursrechtelijk beschermd element moet leiden tot het oordeel dat sprake is van inbreuk. Volgens het hof is het mogelijk dat- ook bij een werk van toegepaste kunst waarbij het 'totaalindrukken'- criterium geldt- reeds bij overneming van een auteursrechtelijk beschermde trek sprake is van inbreuk, ook wanneer in het werk (slechts) twee auteursrechtelijk beschermde trekken kunnen worden onderscheiden. Nu het hof in rov. 16 van het tussenarrest nog slechts oordeelt dat onder die omstandigheden mogelijk sprake is van inbreuk, gaat het nog steeds uit van een juiste toepassing van het 'totaalindrukken'-criterium. Immers in de redenering van het hof is het- bij overnemen van een beschermde trek waar er twee zijn- zowel mogelijk dat sprake is van inbreuk al dat daarvan geen sprake is.
Lees de conclusies hier (Stokke/H3), hier (Hauck/Stokke) en hier (Stokke/Fikszo/H3).