De handhaving van buitenlandse octrooirechten

04-07-2012 Print this page

B9 11421. Vzr. Rechtbank Dordrecht, 19 april 2012, LJN BX0232, ABB Turbo Systems AG c.s. tegen  Turboned Service B.V. c.s.

“Hiermee valt niet te verenigen dat bij grensoverschrijdende inbreuken in een geval als het onderhavige voor handhaving in een lidstaat geen gebruik zou kunnen worden gemaakt van de in de nationale wetgeving van een andere lidstaat ter uitvoering van de Handhavingsrichtlijn geboden (handhavings)mogelijkheden.”

Octrooirecht. Kort geding m.b.t. bewijsbeslag en de handhaving van buitenlandse octrooirechten. ABB c.s. zijn, kort gezegd, houdsters van enkele Europese octrooien m.b.t. een axiale glijlager, een onderdeel van een turbocharger. Geen van deze octrooien heeft echter gelding in Nederland.

ABB c.s. hebben (o.a.) TurboNed Service in Duitsland doen dagvaarden en leggen aan hun vordering ten grondslag dat TurboNed Service inbreuk hebben gemaakt op het Duitse deel van EP 027. De voorzieningenrechter in deze rechtbank (mr. Chr.A.J.F.M. Hensen als rechter te’s-Gravenhage optredend als plaatsvervangend voorzieningenrechter te Dordrecht) heeft ABB c.s. vervolgens verlof verleend om in Nederland onder TurboNed c.s. monsters, fysieke en digitale bestanden in conservatoir (bewijs)beslag te nemen. De voorzieningenrechter in rechtbank Amsterdam (mr. Hensen, optredend als plaatsvervangend voorzieningen-rechter te Amsterdam) heeft ABB c.s. vervolgens verlof verleend om, ten laste van TurboNed Service conservatoir (verhaals)beslag te leggen op voorraad en conservatoir (verhaals)beslag te leggen onder ABN Amro Bank ten laste van TurboNed Service.

Het onderhavige kort geding ziet op de afgifte/inzage van het in beslag genomen bewijs en (in reconventie) op de opheffing van het beslag. Zowel de conventionele als de reconventionele vorderingen worden afgewezen.

Met betrekking tot de gevorderde opheffing oordeelt de rechtbank allereerst dat “de verzwijging van het feit dat DE 673 is herroepen bepaald geen schoonheidsprijs verdient, maar dat de verplichting van art. 21 Rv om de relevante feiten volledig te vermelden in beginsel niet een algemene verplichting behelst om alle (mogelijkerwijs) relevante feiten en bescheiden in het geding te brengen.” Belangrijker is het oordeel van de voorzieningenrechter over de stelling van TurboNed dat de reikwijdte van de Handhavingsrichtlijn en titel 15 Rv beperkt is tot handhaving van in Nederland geldende octrooirechten. De voorzieiningenrechter (mr. Halk) wijst die stelling af:

4.4.2 Strikt genomen valt de handhaving van buitenlandse octrooirechten inderdaad niet onder titel 15 Rv, nu dergelijke rechten in artikel 1019 Rv niet worden genoemd. Titel 15 Rv vormt echter een implementatie van de Handhavingsrichtlijn, die beoogt nationale handhavingsregelingen te harmoniseren. Hiermee valt niet te verenigen dat bij grensoverschrijdende inbreuken in een geval als het onderhavige voor handhaving in een lidstaat geen gebruik zou kunnen worden gemaakt van de in de nationale wetgeving van een andere lidstaat (in dit geval: Nederland) ter uitvoering van de Handhavingsrichtlijn geboden (handhavings)mogelijkheden. Een richtlijnconforme toepassing van art. 1019 Rv brengt met zich dat titel 15 Rv ook van toepassing moet worden geacht ten behoeve van de handhaving van octrooirechten in andere lidstaten ingevolge de nationale wetgeving van die lidstaat. Zulks in ieder geval nu het gaat om een recht van intellectuele eigendom dat valt onder het toepassingsgebied van de Handhavingsrichtlijn (vgl. PbEU 2005, L94/37 waarin octrooirechten worden genoemd). Vergelijk voorzieningenrechter Arnhem 1 juni 2007, BIE 2008/2 (Synthon/Astellas) en Hof Den Haag 12jul2011 BR1364 (Yellow Pages/Yell).

4.4.3 De voorzieningenrechter komt tot hetzelfde resultaat wat betreft de handhaving van in derde landen (niet lidstaten) geldende octrooirechten, zulks op basis van toepassing van titel 15 Rv in het licht van de bewoordingen en het doel van het TRIPs-verdrag, in het bijzonder artikel 1 lid 2, 27e.v. en 50 lid 1 sub (b) van dat verdrag. 

Ook een beroep op andere rechtsbeginselen wordt afgewezen:

4.5.1 TurboNed c.s. stellen dat, nu ABB c.s. in Nederland geen octrooirechten bezitten, het toekennen van voorlopige handhavingsmaatregelen - zoals het bewijsbeslag - in Nederland in strijd is met het territorialiteitsbeginsel, met het vrije verkeer van waren en diensten, de fundamentele vrijheidvan ondernemerschap in de EU, met de fundamentele bescherming van privacy en het fundamentele recht op eigendom.

4.5.2 De aan deze redenering ten grondslag liggende gedachtegang van TurboNed c.s. is dat het toelaten van bewijsbeslag in Nederland leidt tot een kunstmatige uitbreiding van de octrooirechten van ABBc.s. in Nederland. Deze gedachtegang is onjuist. Het feit dat in Nederland bewijsbeslag is gelegd - nu TurboNed c.s. in Nederland zijn gevestigd - leidt slechts tot conservering van bewijs en niet tot bescherming tegen octrooi inbreuk in Nederland.

Van de (summierlijke) ondeugdelijkheid van het door ABB c.s. ingeroepen recht is daarnaast geen sprake. De stelling dat inbreuk in Duitsland is gepleegd in het kader van de in dit kort geding aan te leggen maatstaf is voldoende aannemelijk. Of daadwerkelijk inbreuk is gepleegd en de uitvoerige daar tegen in gebrachte verweren van TurboNed c.s. zullen in de inbreukprocedure in Duitsland ten gronde moeten worden beoordeeld. En zelfs als er een gerede kans aanwezig zou zijn dat ABB c.s. hun vorderingsrecht (inbreuk/geldige octrooirechten) niet hard kunnen maken in een bodemprocedure, hoeft dat op zichzelf niet noodzakelijk tot opheffing van het bewijsbeslag te leiden.

Die kans dient immers te worden afgezet tegen het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. TurboNed c.s. hebben echter te weinig gesteld om hun belang bij opheffing zwaarder te doen wegen dan het belang van ABB c.s. bij handhaving van het beslag. TurboNed c.s. hebben de originele bestanden teruggekregen en niet is gesteld of gebleken dat zij in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de in beslag genomen monsters en dat de vertrouwelijkheid van de in beslag genomen gegevens niet is gewaarborgd. De vordering in reconventie tot opheffing van het bewijsbeslag wordt afgewezen.

De vorderingen van ABB in conventie m.b.t. de inzage worden eveneens afgewezen, nu een voldoende spoedeisend belang ontbreekt. “Het ligt voor de hand dat de nietigheidsprocedure wordt afgewikkeld voordat in de inbreuk procedure wordt beslist. Er is nog niet beslist in de nietigheidsprocedure. Daarom hebben ABB c.s. op dit moment geen spoedeisend belang bij inzage.”

De 1019h proceskosten worden gecompenseerd.

Lees het vonnis hier.