Hongaars gebruiksmodellenrecht

15-11-2012 Print this page

B9 11843. HvJ EU, 15 november 2012, zaak C-180/11, Bericap Záródástechnikai Bt. tegen Plastinnova 2000 Kft (Prejudiciële vragen Fővárosi Bíróság, Hongarije).

Gebruiksmodellenrecht, althans procesrechtelijke vraag in geschil over de nietigheidsprocedure t.a.v. een Hongaars gebruiksmodel. Bericap heeft het Hongaars octrooibureau verzocht om nietigverklaring van de bescherming van het betrokken gebruiksmodel wegens het ontbreken van nieuwheid en onderliggende uitvinderswerkzaamheid. Dat verzoek is in hoger beroep en cassatie afgewezen. Bericap heeft vervolgens een nieuwe vordering tot nietigverklaring ingesteld, met als bijlagen onder meer beschrijvingen van octrooien die ook in de eerdere nietigheidsprocedure aan bod zijn geweest.

Het Hongaars octrooibureau heeft ook deze vordering afgewezen onder verwijzing naar artikel 42 lid 3 van de Hongaarse octrooiwet, dat bepaalt dat een nieuwe nietigheidsprocedure op basis van dezelfde feiten is uitgesloten. De prejudiciële vragen zien op dat laatste punt.

Het Hof van Justitie oordeelt dat de TRIPs-Overeenkomst, het Verdrag van Parijs en de Handhavingsrichtlijn geen betrekking hebben op een nietigheidsprocedure als het onderhavige. In de onderhavige zaak betreft de procedure de geldigheid van een gebruiksmodel en niet een schending van intellectuele-eigendomsrechten:

78. Een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, wordt juist ter beschikking gesteld van een persoon die, zonder houder van een intellectueel-eigendomsrecht te zijn, opkomt tegen de bescherming van een gebruiksmodel die aan de houder van de overeenkomstige rechten is verleend.

(...) 82 Bijgevolg dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat, aangezien de bepalingen van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, van richtlijn 2004/48, uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Parijs en artikel 41, leden 1 en 2, van de TRIPs-Overeenkomst, niet van toepassing zijn op een nietigheidsprocedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, deze bepalingen niet kunnen worden geacht zich ertegen te verzetten dat de rechter in een dergelijke gerechtelijke procedure:

 

– niet gebonden is aan de vorderingen en andere verklaringen van partijen en ambtshalve de overlegging van de noodzakelijk geachte bewijzen kan gelasten;

– niet gebonden is aan een administratieve beslissing die op een vordering tot nietigverklaring is gegeven, noch aan de daarin vastgestelde feiten, en

– bewijzen die reeds in het kader van een eerdere vordering tot nietigverklaring werden overgelegd, niet opnieuw kan onderzoeken.

Lees het arrest hier.