B9 11697. Gerechtshof Arnhem, 11 september 2012, LJN: BX8860, Bora Borgh Beheer B.V. c.s. tegen Kaltenbach Shotblast and Painting Systems B.V.
“Ingevolge artikel 110 lid 3 Rv is tegen een zodanig vonnis geen hogere voorziening toegelaten. De enkele omstandigheid dat de rechtbank in het vonnis een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken en het hoger beroep zich uitsluitend tegen die kostenbeslissing richt, maakt dit nog niet anders.”
Merkenrecht, althans hoger beroep in bevoegdheidsincident in een geschil over vermeende inbreuk op een Gemeenschapsmerk (Gietart) van eiser Kaldenbach. De rechtbank Almelo (Rb Almelo, 9 november 2011, B9 10399) verklaarde zich eerder onbevoegd en verwees de zaak naar de rechtbank ’s-Gravenhage die als rechtbank voor het Gemeenschapsmerk 'exclusief relatief bevoegd' zou zijn in deze. Het hoger beroep betreft alleen de 1019h kostenveroordeling. Volgens Bora c.s. had de rechtbank Kaltenbach moeten veroordelen in de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv, maar het hof concludeert tot niet-ontvankelijkheid.
3.6 Het hof overweegt als volgt. Het vonnis waarvan beroep is een vonnis waarin de rechtbank zich relatief onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar een andere rechter. Ingevolge artikel 110 lid 3 Rv is tegen een zodanig vonnis geen hogere voorziening toegelaten. De enkele omstandigheid dat de rechtbank in het vonnis een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken en het hoger beroep zich uitsluitend tegen die kostenbeslissing richt, maakt dit nog niet anders (vgl. HR 6 februari 2004, LJN AL7065).
De beoordeling van de kostenbeslissing in hoger beroep zal immers in de regel een (her)beoordeling van de beslissing over de toe- of afwijzing van de incidentele vordering vergen. Die beoordeling is ingevolge artikel 110 lid 3 Rv nu juist van (tussentijds) hoger beroep uitgesloten. Dat, zoals in deze zaak, uitsluitend de hoogte van de kostenveroordeling wordt bestreden met de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten artikel 1019h Rv toe te passen, is geen grond om in afwijking van artikel 110 lid 3 Rv toch hoger beroep toe te staan. De rechter naar wie wordt verwezen kan, zo artikel 1019h Rv dit vergt, de in het incident reeds toegewezen kosten aanvullen. Daarmee is de werking van het gemeenschapsrecht voldoende gewaarborgd, zonder dat afbreuk hoeft te worden gedaan aan de door artikel 110 lid 3 Rv beoogde snelle beslechting van geschillen omtrent de relatieve bevoegdheid.
Bora c.s. zijn niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep en zullen in de kosten daarvan worden veroordeeld. Nu Kaltenbach in hoger beroep geen kostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv heeft gevorderd kan in het midden blijven of het onderhavige hoger beroep in dit incident onder het toepassingsbereik van voormelde bepaling valt.
De kosten van Kaltenbach in dit hoger beroep worden begroot op: verschotten € 666,-, - voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: 1 punten x tarief II € 894,-.
Lees het arrest hier.