‘Wijn is licht verteerbaar’ is een verboden gezondheidsclaim

06-09-2012 Print this page

B9 11619. HvJ EU, 6 september 2012, C-544/10, Deutsches Weintor eG tegen Land Rheinland-Pfalz (prejudiciële vragen Bundesverwaltungsgericht).

Reclamerecht. Voedings‑ en gezondheidsclaims. “Wijn is licht verteerbaar’ is een verboden gezondheidsclaim. Tussen partijen is in geschil of de omschrijving van een wijn als „licht verteerbaar” in combinatie met de vermelding van een lichte zuurgraad, een voor alcoholhoudende dranken normalerwijs verboden „gezondheidsclaim” in de zin van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 is.

Volgens de Deutsches Weintoris houdt de omschrijving „licht verteerbaar” geen verband met de gezondheid en heeft deze slechts betrekking op het algemene welzijn. Zij stelt dat verordening nr. 1924/2006 niet van toepassing is op omschrijvingen die traditioneel worden gebruikt voor levensmiddelen of dranken die een effect kunnen hebben op het algemene welzijn, zoals de omschrijving „spijsverteringsbevorderend” voor een drank die de spijsvertering bevordert. Volgens haar moet het begrip gezondheidsclaims derhalve restrictief worden uitgelegd, en geldt het alleen voor de door het betrokken levensmiddel veroorzaakte langetermijneffecten. Het Hof ziet het anders:

37. Zoals blijkt uit punt 1 van de considerans van verordening nr. 1924/2006, samengelezen met punt 10 ervan, staat immers vast dat de claims waarmee de levensmiddelen waarop zij worden vermeld, worden aangeprezen, de keuzes van de consument beïnvloeden, door zich erop te beroepen dat zij in nutritioneel, fysiologisch of een ander met de gezondheid verband houdend opzicht beter zijn dan soortgelijke producten. Deze keuzes beïnvloeden rechtstreeks de totale hoeveelheid van de verschillende nutriënten of andere stoffen die de consument wenst in te nemen, wat de rechtvaardiging vormt voor de door deze verordening opgelegde beperkingen met betrekking tot het gebruik van deze claims.

38. Derhalve moet in casu rekening worden gehouden met zowel de tijdelijke en kortstondige effecten als met de cumulatieve effecten van herhaaldelijke en langdurige consumptie van een bepaald levensmiddel op de lichamelijke conditie.

39. In de onderhavige zaak impliceert de litigieuze omschrijving, die de indruk wekt dat de wijn goed wordt opgenomen en verteerd, met name dat het spijsverteringsstelsel, dus een deel van het menselijk lichaam, er niet of weinig onder lijdt en dat de toestand van dit stelsel betrekkelijk gezond en intact blijft, zelfs na herhaaldelijke consumptie, dus na gecumuleerde hoeveelheden die gedurende een lange periode worden verbruikt, aangezien deze wijn gekenmerkt wordt door een verlaagde zuurgraad.

40. Daardoor kan de betrokken claim de indruk wekken dat sprake is van een duurzaam heilzaam fysiologisch effect dat erin bestaat het spijsverteringsstelsel in goede staat te houden, in tegenstelling tot andere wijnen die geacht worden na gecumuleerde consumptie ervan, duurzame negatieve effecten te hebben op het spijsverteringsstelsel en bijgevolg op de gezondheid.

41. Op grond van de bovenstaande overwegingen moet op de eerste twee vragen worden geantwoord dat artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1924/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de term „gezondheidsclaim” ook geldt voor een omschrijving als „licht verteerbaar” met de vermelding van het verlaagde gehalte aan door een groot aantal consumenten als nadelig ervaren stoffen.

(…) 51. In een zaak als deze in het hoofdgeding blijkt de litigieuze claim, gesteld dat hij op zich als materieel juist kan worden beschouwd waar hij een verlaagde zuurgraad vermeldt, niettemin onvolledig. Deze claim maakt namelijk melding van een bepaalde eigenschap waardoor de spijsvertering wordt bevorderd, maar verzwijgt dat ongeacht de goede spijsvertering, de met de consumptie van alcoholhoudende dranken gepaard gaande gevaren door die eigenschap niet verdwijnen of zelfs maar beperkt worden.

52. De Uniewetgever kon dus op goede gronden oordelen dat claims als deze in het hoofdgeding dubbelzinnig en zelfs misleidend zijn omdat zij betrekking hebben op een alcoholhoudende drank. Door enkel de gemakkelijke vertering ervan op de voorgrond te plaatsen, kan de litigieuze claim immers de consumptie van de betrokken wijn stimuleren en uiteindelijk de met overmatige consumptie van alle alcoholhoudende dranken gepaard gaande risico’s voor de gezondheid van de consument doen toenemen. Het verbod op dergelijke claims kan dus zijn rechtvaardiging vinden in het vereiste een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consument te verzekeren.

53. Gelet op het voorgaande, kan het algehele verbod op een claim als aan de orde in het hoofdgeding, worden beschouwd als noodzakelijk om de naleving van de uit artikel 35 van het Handvest voortvloeiende vereisten te verzekeren.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings‑ en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EU) nr. 116/2010 van de Commissie van 9 februari 2010, moet aldus worden uitgelegd dat de term „gezondheidsclaim” ook geldt voor een omschrijving als „licht verteerbaar” met de vermelding van het verlaagde gehalte aan door een groot aantal consumenten als nadelig ervaren stoffen.

2)  Het bij verordening nr. 1924/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 116/2010, aan wijnproducenten of ‑handelaren zonder uitzondering opgelegde verbod om een claim als aan de orde in het hoofdgeding te gebruiken, ook wanneer deze claim op zich juist is, is verenigbaar met artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU.

Lees het arrest hier en het persbericht hier.