A-G Drijber concludeert tot verwerping cassatieberoep Montis

Print this page 26-06-2020
B916071

Conclusie A-G Drijber inzake Montis / Klaver, 29 mei 2020.

 

Auteursrecht. Cassatie tegen het arrest van het hof Amsterdam van 29 januari 2019 (IEPT20190129), waarin werd geoordeeld dat de Charly-stoel van Montis niet meer auteursrechtelijk beschermd is en de verkoop van gerepareerde stoelen geen merkinbreuk is. Het cassatieberoep is beperkt tot het auteursrecht. Volgens de A-G zijn de geschilpunten voor een deel het zelfde als in de zaak waarin de Hoge Raad op 17 april eindarrest heeft gewezen (IEPT20200417), maar is er een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan “dit lang lopende feuilleton”. In deze zaak doet Montis namelijk na zich aanvankelijk op Nederlands auteursrecht en Duits auteursrecht te hebben beroepen beroep op Frans auteursrecht. A-G Drijber concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Enkele citaten:

 

4.7 Montis hanteert in subonderdeel 2.1.1-I als uitgangspunt dat tussen partijen vast zou staan dat de Charly en de Chaplin als werken van toegepaste kunst op 1 juli 1995 “op zichzelf genomen” naar Frans recht auteursrechtelijk waren beschermd. Montis leidt daaruit af dat het hof slechts een zuivere rechtsvraag had te beantwoorden, te weten of het Franse auteursrecht op de genoemde datum (onverkort) van toepassing was op de beide stoelen, zodat “in elk geval” niet langer een vraag van stelplicht en bewijsrecht aan de orde was.

 

4.8 De stelling van Montis dat partijen het met elkaar eens zijn dat de stoelen van Montis naar Frans auteursrecht op 1 juli 1995 beschermd waren vindt geen steun in de processtukken. Daaruit kan m.i. niet anders worden afgeleid dan dat Montis, zich baserend op de opinie van Maître Gérard Delile (advocaat te Parijs),26 en Klaver, zich baserend op de reactie op die opinie door mr. R-J Prins (advocaat te Aix-en-Provence),27 het hierover niet eens zijn. […]

 

4.13 De beide opinies staan derhalve tegenover elkaar. Dat er mogelijk impliciet overeenstemming bestaat over het feit dat anno 1995 een designstoel naar Frans recht voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kon komen, zegt onvoldoende over de vraag of dat concreet ook zou gelden voor de stoelen van Montis, aangezien daartoe volgens Frans recht vereist was dat zij in Duitsland, het door Montis zelf geclaimde land van oorsprong, auteursrechtelijk waren beschermd. Dat laatste is volgens mr. Prins niet aannemelijk.

 

4.14 Gelet op het voorgaande stelt het middel ten onrechte dat de vraag of de stoelen op 1 juli 1995 in Frankrijk waren beschermd een zuivere rechtsvraag is, net zo min als het een zuivere rechtsvraag is of de stoelen op die datum voldeden aan de normen van het Duitse recht om voor auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst in aanmerking te komen. De vraag of een concreet werk, zoals de Charly, is of was beschermd is hoe dan ook niet een zuivere rechtsvraag. […]

 

4.16 De klachten falen. Montis heeft zich ook, zij het pas bij pleidooi in appel, beroepen op bescherming uit hoofde van de Duitse auteursrechtwetgeving, zonder concreet te maken waarop zij dat baseerde. Op Montis rust de bewijslast van die stelling, nu de partij die zich op auteursrechtelijke bescherming beroept, moet stellen en zo nodig bewijzen dat aan de Duitse beschermingscriteria is voldaan. Het hof heeft niettemin onderzocht of de betrokken stoelen van Montis op grond van het Duitse recht waren beschermd. Het heeft in rov. 3.7.8 overwogen dat Klaver niet alleen gemotiveerd heeft uiteengezet dat de drempel voor auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst in Duitsland buitengewoon hoog ligt, maar ook dat het onaannemelijk is dat de Charly aan die hoge Duitse maatstaf zou hebben voldaan. Het hof kon daarbij verwijzen naar de opinie van mr. Prins, waarin wordt verwezen naar precedenten waarin aan Duitse werken van toegepaste kunst om die reden in Frankrijk auteursrechtelijke bescherming is onthouden. Deze overwegingen kunnen het oordeel van het hof schragen dat Montis haar stelling dat de Charly op 1 juli 1995 in Duitsland auteursrechtelijk was beschermd, onvoldoende heeft onderbouwd (rov. 3.7.8, slot).

 

4.17 Bovendien kan de vraag of het hof Duits recht juist heeft toegepast gelet op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO niet in cassatie worden getoetst. […]

 

4.38 Het betoog van Montis dat de Charly en de Chaplin op 1 juli 1995 in Frankrijk auteursrechtelijk waren beschermd omvat nogal wat stappen. Stap 1 is de stelling dat de Cour de Cassation in de door mr. Prins genoemde uitspraken uit 2002 en 2004 in strijd met art. 18 VWEU de reciprociteit-regel van de tweede volzin van art. 2 lid 7 BC heeft toegepast. Daar laat Montis als stap 2 de stelling op volgen dat het hof in het bestreden arrest had moeten uitgaan van het Franse recht zoals dat volgens haar had moeten worden toegepast, namelijk dat art. 2 lid 7 BC op grond van art. 18 VWEU buiten toepassing had moeten worden gelaten voor werken van toegepaste kunst. Stap 3 in de redenering houdt in dat, nu het Phil Collins-arrest vóór 1 juli 1995 is gewezen, de rechtstoestand zoals die volgens Montis in Frankrijk had moeten zijn op die peildatum ook daadwerkelijk gold. Uit dit een en ander leidt Montis af dat de Charly op 1 juli 1995 in Frankrijk beschermd was en, gelet op het bepaalde in art. 10 lid 2 van de Beschermingstermijnrichtlijn, daarmee ook in Nederland bescherming genoot.

 

4.39 In dit betoog heeft art. 18 VWEU dus de functie van breekijzer om het Franse recht om te buigen in voor Montis gunstige zin. Dit betoog kan niet slagen. Ik zie niet in op welke grond de Nederlandse rechter gehouden zou kunnen zijn om zijn eigen oordeel over (de juiste toepassing van) het Franse recht in de plaats te stellen van het oordeel van de hoogste Franse rechter en daarmee dat oordeel dus te negeren, laat staan dat hij verplicht zou zijn dat ambtshalve te doen. Daarvoor ontbrak hier ook een voldoende solide feitelijke basis. Voor de Hoge Raad komt daar het verbod op toetsing van een gestelde schending van het recht van vreemde staten (art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO) nog bij.

 

4.40 Bovendien miskent Montis (ook hier) dat de Hoge Raad in zijn arrest Montis/ […] II haar niet een auteursrechtelijke aanspraak heeft ontzegd op grond van de reciprociteitsbepaling in de tweede volzin van art. 2 lid 7 BC, maar op grond van het bepaalde in de eerste volzin van art. 2 lid 7 BC, welke bepaling los staat van de nationaliteit van de maker van een werk van toegepaste kunst. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.”

 

Lees de conclusie hier.