A-G HvJEU: Maximumbedrag voor proceskostenveroordeling toegestaan, ook in IE-zaken
05-04-2016 Print this page
Procesrecht. In een procedure tussen United Video Properties en Telenet, waarbij Telenet een proceskostenvergoeding van € 185.462,55 heeft gevorderd, heeft het Belgische Hof van Beroep Antwerpen twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU gesteld. De verwijzende rechter wenst te vernemen of wetgevers van de lidstaten over een zekere mate van vrijheid beschikken om een systeem vast te stellen voor de vergoeding van proceskosten ten laste van de verliezende partij waarbij ofwel deze kosten worden beperkt tot een maximum, ofwel de vergoeding daarvan wordt uitgesloten, wanneer de procedure (in beide gevallen) binnen het toepassingsgebied van de Handhavingsrichtlijn valt. Volgens A-G Sánchez-Bordona verzet de handhavingsrichtlijn zich niet tegen nationale wetgeving dat een maximum vaststelt voor de vergoeding van de advocaatkosten door de in het ongelijk gestelde partij. De Handhavingsrichtlijn verzet zich echter tegen toepassing van het "foutcriterium" voor de vergoeding van de kosten van door de in het gelijk gestelde partij ingeschakelde rechtsbijstand door een deskundige.
Een aantal interessante overwegingen:
"63. […] De kosten en de voorzienbare financiële inspanningen vormen een van de doorslaggevende factoren bij het nemen van de beslissing om al dan niet een procedure in te leiden.
64. Vanuit dit oogpunt kan ik mij niet vinden in een uitlegging van artikel 14 van de handhavingsrichtlijn waarbij de advocaatkosten van de in het gelijk gestelde partij volledig moeten worden erkend als proceskosten. Ik ben veeleer voorstander van de opvatting dat: a) de verhaalbare kosten voor deze post uitsluitend de redelijke en evenredige kosten zijn, gelet op de omstandigheden van ieder geval en b) de lidstaten juist ten behoeve van de voorspelbaarheid „objectief” en algemeen het verhaalbare maximumbedrag kunnen bepalen binnen een schaal zoals die wordt gehanteerd in de in geding zijnde Belgische wetgeving.
65. De betrekking tussen advocaat en cliënt mag niet worden verward met de betrekking die de verplichting tot vergoeding van de proceskosten doet ontstaan. In het eerste geval gaat het om een contractuele betrekking voor de verrichting van diensten, waarbinnen advocaat en cliënt de aan de advocaat te betalen financiële vergoeding vrijelijk overeenkomen. In het tweede geval gaat het om een procesrechtelijke betrekking waarbinnen de in het gelijk gestelde partij ten laste van de verliezende partij schadeloos moet worden gesteld voor de aan de procedure verbonden kosten.
66. Het verschil in aard tussen deze twee betrekkingen is cruciaal omdat voor de eerste (de contractuele) subjectieve afwegingen van doorslaggevend belang zijn. Aanvaarding van de financiële voorwaarden van de advocaat is immers volledig afhankelijk van de wil van de cliënt, die, als hij dat wil, eenvoudig een andere raadsman kan inschakelen voor de verdediging van zijn belangen. In de procedurele betrekking bestaat die keuzevrijheid niet. Het is dus logisch dat er objectieve criteria(28) worden toegepast bij de vaststelling en eventuele matiging van het bedrag van de verhaalbare advocaatkosten dat ten laste moet komen van de partij die geen enkele inbreng heeft gehad in de keuze van de advocaat van de wederpartij.
67. De objectieve criteria kunnen worden gebaseerd op de standaardkosten voor bijstand van een advocaat. Dit bevordert bovendien de gelijkheid van partijen in de procedure doordat wordt voorkomen dat de partij die in een betere financiële positie verkeert het gewicht van zijn keuze laat neerkomen op de andere partij. Als het mogelijk zou zijn om de volledige advocaatkosten op de andere partij te verhalen, dan zou een financieel sterkere eiser zijn keuzevrijheid als het ware dwingend kunnen gebruiken. Geconfronteerd met het risico, de uitermate hoge advocaatkosten van de eiser te moeten betalen, zou de verweerder kunnen besluiten dat het niet de moeite waard is om verweer te voeren en dat afstand doen van zijn rechtsmiddelen meer zekerheid biedt. Gelet op alle consequenties die het hierboven besprokene meebrengt(29), zou dit het beginsel van gelijkheid van de procespartijen en het recht op toegang tot de rechter kunnen uithollen."
A-G Campos Sánchez-Bordona geeft het hof in overweging de vragen als volgt te beantwoorden:
"1) Artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, verzet zich niet tegen nationale wetgeving zoals in deze prejudiciële procedure aan de orde is, die een maximumbedrag voor de vergoeding door de in de kosten veroordeelde partij van de advocaatkosten van de in het gelijk gestelde partij vastlegt voor alle soorten procedures, daaronder begrepen die ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten.
2) Artikel 14 van richtlijn 2004/48 verzet zich tegen het foutcriterium als noodzakelijke voorwaarde voor de verplichting van de in het ongelijk gestelde partij tot vergoeding van de door de in het gelijk gestelde partij gemaakte kosten voor bijstand van een deskundige die voldoen aan de eisen van redelijkheid, evenredigheid en billijkheid, mits deze kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de aanhangigmaking van de procedure ter bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten.”
Lees de conclusie hier.