A-G HvJEU: zowel vernietiging arrest GEU als beslissing van het BHIM

01-03-2016 Print this page
B914306

Zaak C-43/15 P, BSH v BHIM. Conclusie A-G Y. Bot

 

Procesrecht. Hogere voorziening tegen IEPT20141204, waarin het beroep tegen het oordeel dat sprake is van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde woord-/beeldmerk “compressor technology” en de oudere woordmerken “KOMPRESSOR PLUS” en “KOMPRESSOR” is verworpen. A-G Bot geeft het hof in overweging het bestreden arrest, maar ook de beslissing van de Kamer van Beroep van het BHIM te vernietigen. In citaten:

 

10. Wat de ambtshalve taken van de rechter betreft, geef ik het Hof in overweging om het bestreden arrest te vernietigen, niet op grond van de door BSH bij het Hof aangevoerde middelen, maar omdat het Gerecht heeft verzuimd twee middelen van openbare orde ambtshalve te onderzoeken, te weten, ten eerste, de onbevoegdheid van de kamer van beroep om de beslissing van de oppositieafdeling te herzien voor andere waren dan die welke de merkaanvraagster in het principale beroep had vermeld, en, ten tweede, de schending – in het kader van die procedure – van het recht om te worden gehoord van deze laatste.

 

67. Het Gerecht was bijgevolg verplicht, bij gebreke van enig onderzoek betreffende de bevoegdheid van de kamer van beroep, om de rechtmatigheid van de litigieuze beslissing ambtshalve te toetsen op basis van zowel de algemene beginselen van het recht om te worden gehoord en het recht van hoor en wederhoor als de artikelen 63, lid 2, en 75, tweede volzin, van verordening nr. 207/2009.

 

115. In casu heeft LG op 31 oktober 2012 haar opmerkingen ingediend via een conclusie van antwoord, waarbij zij bovendien verzocht om herziening van de beslissing van de oppositieafdeling wat de tot de klassen 7, 9 en 11 behorende waren betreft, terwijl de beslissing van de oppositieafdeling haar is meegedeeld op 3 mei 2012. Bovendien heeft LG de beroepstaks niet betaald.

 

116. Volgens regel 49, lid 1, van verordening nr. 2868/95 diende de kamer van beroep dit beroep niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien het aan geen van de bij artikel 60 van verordening nr. 207/2009 gestelde voorwaarden voldeed.

 

117. Bij de kamer van beroep was uitsluitend het door BSH tegen de beslissing van de oppositieafdeling ingestelde beroep aanhangig voor zover deze de oppositie had toegewezen en de gemeenschapsmerkaanvraag van BSH had afgewezen met betrekking tot de elektrische reinigingsapparaten voor de huishouding, daaronder begrepen stofzuigers, nat- en droogstofzuigers, die tot klasse 7 behoren.

 

118. Door het door LG ingestelde beroep als ontvankelijk te beschouwen en door de vorderingen van deze laatste toe te wijzen, heeft de kamer van beroep dus de voormelde bepalingen geschonden.

 

138. Gelet op al deze overwegingen ben ik van oordeel dat de kamer van beroep het recht om te worden gehoord van BSH en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door de beslissing van de oppositieafdeling te herzien op basis van gegevens die niet zijn besproken, en zij aldus afbreuk heeft gedaan aan de belangen van deze laatste.

 

Lees de conclusie hier.