A-G over hoogte griffierecht

Print this page 12-11-2019
B915893

Procesrecht. Verzetprocedure op de voet van artikel 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken over of de griffier bij het bepalen van de hoogte van het griffierecht had moeten uitgaan van een vordering van onbepaalde waarde. Het gaat in deze zaak om sprongcassatie tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2018. Het griffierecht is door de waarnemend griffier van de Hoge Raad vastgesteld op € 6.591. Dit is het in 2018 geldende tarief voor niet-natuurlijke personen voor zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van meer dan € 100.000. Bij verzoekschrift is namens opposanten in verzet gekomen tegen de beslissing om € 6.591 als griffierecht te heffen. Volgens opposanten zou het gaan om een vordering van onbepaalde waarde, waarvoor € 811 zou moeten worden geheven. A-G De Bock is van mening dat het juiste griffierecht is geheven.

 

De A-G overweegt dat het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, waarin de rechtbank heeft beslist op:

 

“(i) een vordering in conventie van opposanten om voor recht te verklaren dat ING geen geldig pandrecht heeft verkregen op de auteursrechten ten aanzien van door CompLions ontwikkelde software en de verkoopopbrengst van alle auteursrechten ad € 155.000,-- daarom niet toekomt aan ING;

 

(ii) een vordering in reconventie van ING dat de rechtbank (a) voor recht verklaart dat ING een rechtsgeldig eerste pandrecht heeft verkregen op (onder meer) het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software; (b) de curator veroordeelt de opbrengst van het door hem verkochte auteursrecht aangeduid onder (a) binnen twee dagen na betekening van het door de rechtbank te wijzen vonnis af te dragen aan ING, een en ander tot het beloop van de vordering van ING op CompLions van € 105.249,33 en (c) opposanten hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.”

 

De A-G overweegt dat in conventie een verklaring voor recht is gevorderd, waarbij tevens is verzocht voor recht te verklaren dat de verkoopopbrengst van € 155.000 niet toekomt aan ING. Hoewel dus niet de betaling van een geldsom is gevorderd, volgt wel duidelijk dat de waarde van de gevorderde verklaring voor recht € 155.000 is. Er dient voor de berekening van het griffierecht dus bij dat bedrag te worden aangeknoopt. In reconventie gaat het om betaling van een bedrag van € 105.249,33. In beide gevallen moet het griffierecht dus volgens het hoogste tarief (meer dan € 100.000) worden berekend. De Bock concludeert dat de griffier het griffierecht juist heeft vastgesteld. De conclusie strekt dus tot ongegrondverklaring van het verzet.

 

Lees de conclusie hier.