A-G Van Peursem concludeert tot verwerping cassatieberoep in Thuiskopie-zaak
26-10-2018 Print this pageAuteursrecht. Conclusie van A-G van Peursem inzake de cassatie tegen het arrest van het hof Den Haag van 23 mei 2017 (IEPT20170523), waarin werd geoordeeld dat de regeling thuiskopieheffing (in AMvB’s 2012/2013 en 2015) niet onverbindend of onrechtmatig is. Van Peursem concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Enkele citaten:
“2.12 Samenvattend volgt uit deze Luxemburgse jurisprudentie dat
( i) lidstaten een grote vrijheid hebben bij het vormgeven van een thuiskopieheffingsstelsel,
(ii) de heffing gerelateerd moet zijn aan de schade van de auteur,
(iii) deze op praktische gronden mag worden geheven bij fabrikanten/importeurs van apparaten/dragers,
(iv) bij aangetoond professioneel gebruik geen thuiskopievergoeding is verschuldigd,
( v) bij kopieën voor privégebruik die zijn vervaardigd uit een ongeoorloofde bron geen thuiskopievergoeding is verschuldigd,
(vi) wanneer er gelet op de drager mogelijk - maar niet zeker - sprake is een thuiskopie-situatie als bedoeld in art. 5 lid 2 sub b ARL, uniforme heffing is toegestaan mits er een doeltreffend systeem voor terugbetaling van overcompensatie bestaat.
[…]
2.49 Subonderdeel 4.1 richt hier een rechtsklacht tegen. Een richtlijnconforme interpretatie van art. 16c lid 2 Aw brengt volgens de klacht mee dat het bedrag aan billijke compensatie niet slechts “verband houdt met” de schade, maar in wezen moet overeenstemmen met de schade die de rechthebbenden daadwerkelijk hebben geleden39. Een te ruime heffing ofwel overcompensatie verdraagt zich namelijk niet met het ook door de Auteursrechtrichtlijn nagestreefde rechtvaardige evenwicht tussen de rechthebbenden en de gebruikers van beschermd materiaal (onder verwijzing in de klacht op dit punt naar subonderdeel 2.2) en komt in de woorden van het HvJ EU neer op een bestraffing van deze gebruikers.
2.50 In onze zaak staat het bij de AMvB’s vastgestelde heffingsbedrag van de billijke vergoeding centraal. Uit de besproken Luxemburgse rechtspraak volgt dat wanneer heffing plaatsvindt bij de producenten/importeurs van de drager, zoals in Nederland, het heffingsbedrag forfaitair mag worden vastgesteld (zie hiervoor onder 2.9). Hieraan is inherent dat niet voor het bedrag aan daadwerkelijk geleden schade wordt geheven. Het Luxemburgse hof verwoordde dit als volgt in de zaak Hewlett-Packard Belgium Bvba/Reprobel Cvba:
“71. Het bedrag van een dergelijke heffing, die wordt vastgesteld voordat effectief reproducties worden gemaakt, kan niet worden bepaald op basis van het criterium van de daadwerkelijke schade, aangezien de omvang van de schade nog niet bekend is op het ogenblik dat de betrokken apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht. Bijgevolg kan deze heffing niet anders dan forfaitair zijn.”
Anders dan de klacht aandraagt, hoeft het heffingsbedrag bij producenten/importeurs van dragers dus niet overeen te stemmen met de schade die de rechthebbenden daadwerkelijk hebben geleden. Wel moet, zoals het hof terecht heeft geoordeeld, het heffingsbedrag verband houden met de door de rechthebbende geleden schade (zie ook hiervoor onder 2.5 en 2.8). Daar strandt deze rechtsklacht op.”
Lees de conclusie hier.