A-G van Peursem: ook 1019h Rv kostenveroordeling voor kosten die zien op procedurele aspecten in IE-zaak
22-03-2018 Print this page(Met dank aan: Alexander de Leeuw, Paul Marcelis en Richard Ebbink, Brinkhof en Thijs van Aerde, Houthoff)
IE-handhaving. Cassatie tegen het arrest van het hof Den Haag van 6 december 2016 (IEPT20161206), waarin het hof B. Braun niet-ontvankelijk verklaarde omdat de appeldagvaarding na het verstrijken van de appeltermijn was betekend. B. Braun werd veroordeeld in de artikel 1019h Rv proceskosten van € 28.795 voor voorbereidende werkzaamheden voor geschilpunten die onder artikel 1019h Rv vallen en € 2.235 volgens het liquidatietarief voor kosten die zien op de ontvankelijkheidsvraag. In cassatie voert Becton aan dat het oordeel van het hof dat de kosten die zien op de ontvankelijkheidsvraag volgens het liquidatietarief moeten worden begroot onjuist is en dat deze kosten op grond van artikel 1019h Rv moeten worden begroot.
A-G van Peursem concludeert tot vernietiging van het arrest van het hof. In citaten:
“2.9 ( Te) kort samengevat kan men twee kanten op. Òf je moet in elke zaak met materiële IE-aspecten werkzaamheden voor puur commune (procedurele) aspecten gaan wegstrepen bij iedere kostenbegroting volgens art. 1019h Rv – want louter het bij eerste argeloze lezing misschien heldere buiten beschouwing laten van “puur procedurele verweren” levert als betoogd een innerlijk niet consistent stelsel op. Òf je knoopt vooral bij de materiële toepasselijkheid aan en neemt in dat kader de “bijvangst” van werkzaamheden voor procedurele aspecten als het ware op de koop toe. Alleen het tweede stelsel is volgens mij geschikt voor de praktijk.
2.10 Uit mijn inleidende beschouwingen en met name 2.8-2.9 volgt dat ik meen dat de rechtsklacht van subonderdeel 1.1. slaagt.”
Lees de conclusie hier.