De opbouw van dit advies is als volgt. Aangevangen wordt met een uiteenzetting van art. 7 en 8 Aw. Daarbij komen de rechtsgevolgen van deze bepalingen en hun verhouding tot het Unierecht aan de orde (§ II). Vervolgens zal het ONB-arrest worden besproken (§ III), gevolgd door een analyse van de mogelijke implicaties voor het Nederlandse auteursrecht (§ IV). Aansluitend worden drie mogelijke scenario’s gepresenteerd voor aanpassing van de Auteurswet (§ V). Het advies besluit met enkele aanvullende aandachtspunten (§ VI).
(…)
Conclusies
Ten eerste acht de Commissie het van belang te erkennen dat het begrip “auteur” inmiddels een autonoom en eenvormig Unierechtelijk begrip vormt. Dit impliceert dat het auteursrecht in beginsel bij aanvang toekomt aan de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd. Nationale bepalingen die afwijken van dit uitgangspunt, moeten met dit uitgangspunt in overeenstemming worden gebracht. Problematisch is echter dat er op dit moment geen Unierechtelijke regeling is die voor alle gevallen vastlegt wie de maker is en onder welke voorwaarden rechten van de maker op een ander kunnen overgaan. Vanwege het ontbreken van een dergelijke regeling kan niet met zekerheid worden gezegd welke aanpassingen nodig zijn om het Nederlandse recht in overeenstemming te brengen met het Unierecht. Die onzekerheid kan alleen worden opgelost door aanpassing van het recht op het niveau van de EU. De Commissie adviseert dan ook primair daarop in te zetten. Voor de periode tot het moment dat de Uniewetgever het probleem heeft opgelost, heeft de Commissie een aantal scenario’s geschetst waarbij in dit verband aansluiting kan worden gezocht. Zoals uit deze analyse blijkt, zijn aan elke optie risico’s verbonden van praktische en juridische aard (zij het van wisselende omvang).
Ten tweede adviseert de Commissie om bij een herziening van bestaande regelgeving expliciet aandacht te besteden aan de aanspraak op en verdeling van wettelijke vergoedingsrechten, zoals de leenrecht-, thuiskopie- en reprorechtvergoedingen en de vergoedingsaanspraken die voortvloeien uit het filmauteursrecht en, waar nodig, het huidige systeem van inning en verdeling te herzien.
Ten derde adviseert de Commissie om bij een herziening van bestaande regelgeving aandacht te besteden aan de afstemming met het modellenrecht. De Commissie stelt vast dat de regeling van art. 3.28 en 3.29 BVIE in stand kan blijven, mits partijen contractueel kunnen afwijken. Daarbij acht zij het van belang te wijzen op mogelijke spanningen met het systeem van het Uniemodellenrecht.